Hoe(c)ken, Michel (Hubert), beeldhouwer

Well (Nl.) 09.02.1827   Well 29.01.1917  ongehuwd 

Leerling bij Cornelis Jansen minstens vanaf 1856. Eigen beeldhouwer satelier Koestraat  1871, samen met aangetrouwde neef Gerard Janse. Later aan het Sint-Gangulfusplein, goed apotheker Rodigas. Kerkmeubilair in hout vooral in provincies Namen en Luik, vb. Sint-Victor Corwarem en Sint-Dionysius Grand’Axhe 1872. Beeld H. Lambertus Wintershoven 1897. Beeld H. Trudo Redemptoristen Sint-Truiden. Monument voor zuigeling Alexander de Grunne (+1882) kasteel Hamal. Meubileringsplannen kerken Gerdingen, Lauw en Membruggen. Ook actief in kunsthandel door het verkopen van originele werken. Terug naar Well in 1906.

Lit.: Christine VANTHILLO, Nederlandse neogotici in Sint-Truiden. De neogotische beeldhouwersateliers van Cornelis Janssen (1828-1895), Michel Hoeken (1827-1917) en Gerard Jansen (1838-1906), in ST19DE, 1998, p. 176-190.
ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be