Rodulf(us), abt

Moustier-sur-Sambre voor 1070   Sint-Truiden 06.03.1138 

Zoon van onvermogenden bij Namen.  

Studies en subdiaken Luik. Benedictijn, custos scholaster en prior abdij Burtscheid (D.). Trok zich ontgoocheld terug in abdijen van Hersfeld en Gladbach. Verliet Burtscheid 1091 en kwam in Sint-Truiden terecht. Waalssprekend. 

Voerde onder abt Diederik (+1107) met enige moeite de regel van Cluny in en de muziekmethode van Guido van Arezzo. Prior ca. 1103. Moest aanvankelijk de plaats ruimen voor kandidaat abt Herman en trok naar de Sint-Laurentiusabdij te Luik. Abt Sint-Truiden 1108 – 1121. 

Administratieve en economische organisator. Heropbouw gebouwen en kerk 1117, na verwoesting door Godfried van Leuven in 1114. Stichter priorij Donk 1119. Bracht goederen o.m. in Aalburg (Nl.), Melveren, Kerkom, Staden, Keulen, Provins, Seny, Bekkevoort en Jemeppe-sur-Meuse terug bij abdij en verkreeg o.a. schenking van brouwerij in Zerkingen. Maar grote heren beschadigden eigendommen o.a. in Halen, Borlo en Villers-le-Peuplier. Regelmatige conflicten met voogd graaf van Duras. Viel in ongenade na concilie van Fritzlar als partijganger van de Paus en selector van de Luikse bisschop, en verliet de abdij in 1121. Verbleef in Affligem, Gent, Luik, Keulen en Deutz. Abt Sint-Pantaleon Keulen 1121-1123. Bekend voor zijn tactvolle omgang met de Keulse joden.

In 1123 terugkeer naar Sint-Truiden. Twee gevaarvolle Romereizen als metgezel van de Luikse bisschop van Gullik. Slag bij Wilderen 1129 . Bezoek van Narrenschip aan Sint-Truiden. Gaf bij zijn vriend graaf Arnold van Loon impuls om premonstratenzers in Averbode te vestigen. Richtte scriptorium en bibliotheek op. Componist en promotor van muzieknotitie. Handschrift met officie van Sint-Trudo, Universiteitsbibliotheek Luik nr. 12. Schrijver van gekende abdijkroniek vanaf 999, van brieven en van verdwenen traktaat tegen simonie. Dichter o.a. De virginitate beatae Mariae.

Straatnaam.


dr. Emiel Lavigne, vertaler van de Abdijkroniek in het Nederlands


Publ.: Gesta Abbatum Trudonensium, boeken I-VII en IX, 12de eeuw, handschrift A perkamenten codex in bibliotheek godgeleerdheid K.U. Leuven sinds 1969. Uitgegeven door Rudolf KOEPKE in Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, 10, Hannover, 1852, p. 213-448 en door Camille DE BORMAN, Chronique de l’abbaye de Saint-Trond, 2 dln., Luik: Société des Bibliophiles Liégeois, 1877. Vertaling naar het Nederlands door Emiel LAVIGNE uitgegeven in 1986.
Lit.: RECUEIL, p. 12-14; Sylvain BALAU, in BIONAT, 19, 1907, kol 618-623; H.C. MELIS, Rudolph abt van St. Truiden, in Groote mannen van Limburg, Antwerpen: L. Opdebeek, 1928, p. 12-14; L. INDESTEGE, De avontuurlijke reis van een abt van de abdij van Sint-Truiden, anno 1107, in Limburg, 26, 1946, p. 114-120; Jacques STIENNON, Cluny et Saint-Trond au XIIe siècle, in Standen en landen, 8, Leuven: Nauwelaerts, 1955, p. 55-86; J.H. AERTS, Onuitgegeven gedichten van Rodulf van Sint-Truiden, in OLL, 11, 1956, p. 47-60; ID., in NBIOW, 3, 1968, kol. 707-715; MONBEL, p. 40-43; J. TOLLEBEEK, Rodulfus van Sint-Truiden, Rupert van Deutz en het “jodenprobleem”, in HBHEYN, p. 327-335; KRONIEK, p. 1-6; Eugeen SCHRUERS, in Handschriften uit de abdij van Sint-Truiden, catalogus, Leuven: Peeters, 1986, p. 112, 3; Gordon A. ANDERSON en C. Matthew BALENSUELA, in The New Grove Dictionary of Music and Musicians, 2de ed., 2001, p. 497-498; Paul KEVERS, Het twaalfde-eeuwse Officie van Sint-Trudo, in HBSTEV, p. 201-220 en ID., Het Officie van Sint-Trudo, Sint-Truiden. Stichting Abdij, Stad en Regio, 2009.
ONTDEKKING VAN DE DAG

Brandende bokkenrijders

Brandende Bokkerijders

Blauwe steen

Achter het piramidekerkje van Bautershoven  houdt een blauwe steen zich recht in de graskant. Gelukkig heeft iemand er een boompje naast geplant, anders rij je er zo voorbij.

Hendrik Prijs, onze Limburgse Elsschot, schreef het trieste verhaal van Suske de Poup  en het Voorvelleke . Dat deden later ook historieschrijver Achille Thijs, de dialectkring Het Neigemenneke en historicus Frank Decat.

Die twee bejaarde vagebonden werden volgens de ingekapte tekst op de steen hier levend verbrand begin oktober 1784. Ze hadden de Gebrande winning  in de fik gestoken, verderop richting stad.

Nu laait het vuur daar alleen nog op onder het fornuis om de restaurantbezoekers te verwennen met een zakenlunch. In de zijgevel boven een poortje lees je het jaartal 1785 en de initialen van pachter Van den Hove op de sluitsteen.

Onderschrift bij deze foto

Beruchte Bokkenrijders

De bokkenrijders liggen nog in ons gezamenlijk geheugen, al was het maar door een album van Suske en Wiske. Maar of de twee brandstichters bij zo'n bende hoorden? In elk geval biechtten ze op dat op de heide 't Dekket in Zepperen  een duivelse eed van zwijgplicht was afgelegd. Aanstokers waren vier Walen, maar die zijn nooit gesnapt. Criminelen in de jaren 1700 probeerden wel meer bij de rijke boeren geld af te persen. Ze dreigden met brandstichting in een anonieme brief, vastgebonden aan de ring van de poort. De lemen boerderijen onder strodak waren een weerloze prooi.

Petit en Martens voerden hun dreigement uit maar vielen al snel in handen van de schout, zowat de sheriff of politiecommissaris in die tijd. Ze werden gefolterd bij hun verhoor en terechtgesteld aan het Gebrand Lindeken, richting Zepperen. In de stoet ging het van de stad naar de bewuste plek. Suske (Martens) en het Voorvelleke  (Petit) werden iets voor de middag op twee passen van elkaar aan een balk geketend. Ze leefden volgens het executieverslag nog drie tot vier minuten in het vuur, maar waren na twee uren nog slechts een hoopje asse.

Het Voorvelleke

Dat was de bijnaam van een Franse deserteur, Petit die altijd een lederen smidsvel droeg. Hij huysde, hoetelde en boddelde   met de buurvrouw van Suske en met twee Walen. Zijn veertienjarige zoon kreeg wroeging en praatte zijn vader na één week al aan de brandstapel. Truienaar Suske of Fransciscus Martens was een strodekker en leemplakker uit de Hel , een volkswijk nabij de Diestsepoort. Hij was ooit getrouwd geweest met een ware 'poup' van een vrouw, die stierf op bedevaart naar Compostela. Sus hertrouwde later met de dievegge Anastasia Kaky . Die zorgde voor de vuurlonten. Anastasia was een taai wijf en doorstond eerst de tortuur van tenenrek, duimschroeven en 'Spaanse' spanlaarzen. De strappade of de katrol waarmee de beul haar armen achterwaarts optrok deed Kaky uiteindelijk bekennen. Ze werd als medeplichtige gewurgd en geroosterd op de Grote Markt. Haar verminkte lijk hing later als afschrikking in een gaffel op de gerechtsplek van de abt, nu op de kruising van Tramstraat en Halmaalweg .

Het Zwakke Verzet

Hendrik Prijs gaf zijn roman Het Zwakke Verzet uit in 1942. Hij las daarvoor de originele processtukken door. Een proefje van de woorden die hij Suske in de mond legt: De groote winning stond, lijk de oogst in het veld, van de geweldige hitte der laatste dagen poederdroog en als te wachten op ons vonkje vuur. Met vieren hebben we het hem gelapt. De twee Walen, het Voorvelleke en ik. Petit bracht zijn melkmuil van een zoon mee. Ik keef hem verdacht aan, de kerel had een te eerlijk gezicht om betrouwbaar te zijn en bood te veel tegenstand. 'Hij kan een handje bijsteken', sprak het Voorvelleke, 'hij moet meer man worden'. 'Zijn wij geen mans genoeg, Voorvelleke?' 'Muil, dicht en aan 't werk!'


Mijnheer Keyenberg

De rijke Lambert Keyenberg-Baltus had bij Bautershoven-Bernissem  tussen de twee oorlogen een eigen vliegveld en liet naar verluidt de boodschap op hout uit 1784 vastleggen in de huidige steen aan de wegkant.