Regals, Rega of Riga, Henricus, praemonstratenzer

Brustem 08.04.1615  Venlo 13.01.1655 

Zoon van Godfried en Sofie Vroninx.  

Luikse clerus. Praemonstratenzer Averbode 1634. Priester  en bibliothecaris  1639. Assistent Kortenbos 1641. Circator, subprior en prior 1648. Pastoor Venlo 1653. Daar overleden en in kerkkoor begraven. Bescheiden, zwijgzaam maar nauwgezet. Nimia atra bila suffocatus et tabo exhaustus .

Schenker votiefschilderij H. Frederik van Hallum in basiliek Kortenbos door Abraham van Diepenbeek, met wapenschild. R.D. HENRICUS REGA PASTOR IN VENLOO VIGILANTISSIMUS D.D. Het wapen, op zilver een blauwe band met drie gouden zespuntige sterren, vergezeld van zes blauwe schelpen in binnenzoom, kwam voor op grafzerk (verdwenen) van zijn ouders op kerkhof Brustem .

Lit.: HERCKENRODE, p. 387-388; SLECHTEN, p. 42-43; Jan GERITS, Votiefgaven voor de mariale bedevaartskerk van Kortenbos in de 17de en de 18de eeuw, in HBSTEV, p. 164-165.
ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be