X en Y gingen op een koude winterdag op strooptocht. Toen ze een tijdje onderweg waren, zei Y "X, blijf jij hier wachten. Ik ga verder tot aan de Driebonder, waar ik de hazen in deze richting zal drijven." Toen X met zijn geweer in de hand zat te wachten, kwam er een haas aangelopen, maar X dacht "Nu kan ik niet schieten, want het dier is al te dichtbij; op die manier zou ik het helemaal in stukken schieten. Ik kan beter wachten tot de haas hier voorbij is." Maar de haas kwam tot bij X, snuffelde aan zijn voeten en vroeg toen "Zijn de andere hazen hier al voorbij gekomen?" Geschrokken door dit sprekende dier, liep X naar Y en vroeg of hij de haas ook had gezien. De haas was inderdaad ook aan het geweer van Y komen snuffelen, en het dier had gezegd " Je zal nooit nog een haas neerschieten!" Sindsdien hebben X en Y het nooit meer aangedurfd om te gaan stropen.
In de oude tijd waren er veel 'loerjagers'. Zo hadt ge Rinuske de H., en die heeft me eens een historie verteld toen we de patatten aan 't uitdoen waren, dat had hij persoonlijk aan de hand gehad. Rinuske en Ber H. waren op de 'loer' en 't vroor stenen, zo koud was het. Ber zei 'Rikus blijf gij hier, ik ga tot aan de Driebonder, hier komen de hazen dan af die ik opjaag. Toen Rikuske daar wat lag, met zijn geweer zo gereed, kwam daar een haas af, een schoon beestje, zo vet als een 'kurren' en Rikuske dacht 'Ik mag niet meer schieten, hij is te kort, anders is hij 'zo na vaneen als moos', ik zal wachten tot als hij door is.'Maar die haas kwam tot aan Rikuske en hij snuffelde aan zijn geweer en toen zei hij 'Zijn de anderen al door?' Toen liep Rikuske naar Ber maar die vroeg al of hij die haas ook gezien had. 'Hij kwam aan mijn geweer snuffelen, zei Ber, en toen zei hij 'Ik ben bij Rikus geweest en ik was de eerste, maar ge zult nooit geen haas meer schieten.' ''t Deugt niet om op de 'loer' te gaan' zeiden ze, en ze hebben ook niets meer geschoten sinds toen.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Brustem
Het efficiënte romeinse weggennet, zoals de ‘kassei’ Tongeren-Tienen, verviel in de vroege middeleeuwen. Waar geen bevaarbare waterlopen waren, was men opnieuw aangewezen op lokale onverharde verbindingen met diverse alternatieven naargelang de seizoensmodder. Terwijl het Luikerland in de 18de eeuw steenwegen aanlegde voor economische ontsluiting zoals de weg Luik-Sint-Truiden(-Brussel) in 1715-1740, was de Franse bezetter rond 1800 vooral militair gemotiveerd voor snelle, rechtlijnige verbindingen. De ‘Route Napoleon’ of het deel Maastricht-Tongeren van de verbinding Keulen-Duinkerken werd in 1804-1813 afgewerkt.



Het was wachten op de Hollanders en hun Waterstaat-ingenieur De Sermoise om op 9 december 1817 de eerste steen te laten leggen aan de Sint-Truiderpoort in Tongeren door de provinciegouverneur. Het tracé dwars door de velden en weiden trok al snel handel en bewoning van de opzij liggende dorpskernen aan, getuige de jaartallen op vele gevels en de verbindingen zoals de dreef te Ordingen. De oude ‘Truierbaan’ in Rijkel verviel tot veldweg. Een tolbarreel aan het kruispunt met de Houtstraat Brustem deed dienst tot in 1867 deze gebruikersbijdrage werd opgeheven.
De weg naar Tongeren startte aan de oude Brustempoort. De beginkilometers waren gekend voor het omtuinde Casino (1862), het huis Moreau (1872), de arbeidershuisjes en het koetsenatelier Vanslype op de Pinberg en later voor de Veiling Haspengouw (1939-2017) en toegangen tot de Industriezone Schurhoven.
Na deze steenweg voltooide men vanuit de stad Sint-Truiden de kasseiwegen naar Hasselt (1838), Diest (1844) en Namen (1855).
In augustus 1914 kon de Duitse ruiterij haar opmars van Tongeren naar Sint-Truiden (en Orsmaal) ongestoord uitvoeren. Ze staken huizen in brand op de Pinberg, maar ter compensatie kwamen er nog voor het oorlogseinde enkele ‘Pruisenhuisjes’ of modelwoningen langs de Tongersesteenweg.