Het vel van een weerwolf verbranden

Het vel van een weerwolf verbranden

Een jongen die met zijn vriendin terugkwam van de kermis, sprak tot haar "Ik ga even weg. Als je een grote hond ziet aankomen, dan moet je een zakdoek naar zijn muil gooien." Het meisje deed wat haar was opgedragen. Toen haar vriend enkele uren later terugkwam, zag ze dat de vezels van de stof nog tussen zijn tanden hingen. Het meisje heeft de jongen onmiddellijk in de steek gelaten. Ze vertelde aan iedereen wat ze had meegemaakt. Op de hoeve waar de jongen werkte, vond men een halsband en een potje zalf, dat men in de oven gooide. Terwijl alles in het vuur lag, kwam de jongen snel aangelopen. De jongen sprong in de oven en is daar opgebrand.

In de Heutstraat 'kerseerde' een jongen en die werd weerwolf. Hij was met het meisje naar de kermis geweest en toen ze terugkwamen, bleef hij achter en hij zei 'Moest ge een grote hond zien afkomen, dan gooit ge uwe 'tesneusdoek' in zijn muil.' Dat deed ze toen ze zo'n lelijke hond zag, en 'n uur of zo daarna kwam de jongen terug. Maar toen zag ze dat de 'refels' nog in zijn tanden hingen. Toen heeft ze hem laten staan en ze had dat voortverteld. En waar hij werkte, begonnen ze de boel af te zoeken, toen hij naar 't veld was en in de schuur, op een balk, daar vonden ze een halsband en een potje zalf, waarmee hij 'hem' insmeerde. Toen staken ze de oven aan en daar gooiden ze dat in en toen het opbrandde, kwam de knecht afgelopen, hij was anders wijd weg aan 't werk, en daar sprong hij recht aan de oven in - pardaf! En daar is hij opgebrand. Peeke heeft me ook een verteld dat hij een weerwolf tegenkwam die in 't midden van de straat zat. Pee had een mispelaren knots bij en hij sloeg erop Knots - knots - knots. Toen zei de weerwolf 'Is 't nu genoeg Pee, want ge krijgt me toch niet dood.'

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Brustem

ONTDEKKING VAN DE DAG

Christiaens, Marie, volksfiguur

Gelinden 14.08.1669 , Jacob Schoenaerts 

Vrouw van schout  Schoenaerts. 

Bewoonster hoeve Groenschild Klein-Gelmen 

Beschuldigd van hekserij 1667 en waarschijnlijk terechtgesteld 1669.


Lit.: J. BROUWERS, De vrouw met de zwarte sluier. Een heksenproces te Gelinden in 1667-1669, in Limburg, 36, 1957, p. 263-266, 273-284 en 301-308.