Een man die naar zijn vriendin was geweest, ging te voet naar huis. Toen hij door een weide kwam, liep er een veulen tegen hem aan. Even later kwam de man bij een grafzerk. Hij verdwaalde en raakte niet meer uit de weide. Pas bij het ochtendgloren vond de man het hek van de weide. Het veulen en de grafzerk waren verdwenen.
In Brustem was eens een 'vies' man en die was vrijen geweest en bij nacht kwam hij thuis. Toen hij door een wei kwam, liep daar een veulen tegen hem, en toen hij daar in de klaarte doorgekomen was, was die wei nog leeg. 'Dat duurt toch lang eer ik aan de 'brier' ben' dacht hij, maar hij kon niet uit de wei geraken, hij ging maar altijd door en hij bleef in de wei en opeens stond hij voor een zerk. Toen het klaar werd, geraakte hij eerst aan de 'brier', toen was hij moederziel alleen, het veulen en die zerk waren weg. En 't water liep zo aan hem af, hij had de hele tijd door de wei op en af gedraafd.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Brustem
In de oudheid werden in oorlog of jacht veroverde trofeeën aan een stok opgehangen. Dit motief ging een eigen leven leiden als allegorische decoratie. Kalksnijders modelleerden in het nog vochtige stucwerk voorwerpen tussen bloemenslingers aan linten opgehangen.
In het stadhuis op de Grote Markt op het 'schoon verdiep' zijn in de hoge vestibule de vier kunsten en twee speciale thema's uitgewerkt, de zeevaart en het landleven. Die laatste werken dateren waarschijnlijk uit de Hollandse periode (1815-1830) onder burgemeester J.A.N. Van den Berck. Scheepvaart en de Nederlandse vertaling van Vergilius wijzen daarop.
