Achter het piramidekerkje van Bautershoven houdt een blauwe steen zich recht in de graskant. Gelukkig heeft iemand er een boompje naast geplant, anders rij je er zo voorbij.
Hendrik Prijs, onze Limburgse Elsschot, schreef het trieste verhaal van Suske de Poup en het Voorvelleke . Dat deden later ook historieschrijver Achille Thijs, de dialectkring Het Neigemenneke en historicus Frank Decat.
Die twee bejaarde vagebonden werden volgens de ingekapte tekst op de steen hier levend verbrand begin oktober 1784. Ze hadden de Gebrande winning in de fik gestoken, verderop richting stad.
Nu laait het vuur daar alleen nog op onder het fornuis om de restaurantbezoekers te verwennen met een zakenlunch. In de zijgevel boven een poortje lees je het jaartal 1785 en de initialen van pachter Van den Hove op de sluitsteen.

De bokkenrijders liggen nog in ons gezamenlijk geheugen, al was het maar door een album van Suske en Wiske. Maar of de twee brandstichters bij zo'n bende hoorden? In elk geval biechtten ze op dat op de heide 't Dekket in Zepperen een duivelse eed van zwijgplicht was afgelegd. Aanstokers waren vier Walen, maar die zijn nooit gesnapt. Criminelen in de jaren 1700 probeerden wel meer bij de rijke boeren geld af te persen. Ze dreigden met brandstichting in een anonieme brief, vastgebonden aan de ring van de poort. De lemen boerderijen onder strodak waren een weerloze prooi.
Petit en Martens voerden hun dreigement uit maar vielen al snel in handen van de schout, zowat de sheriff of politiecommissaris in die tijd. Ze werden gefolterd bij hun verhoor en terechtgesteld aan het Gebrand Lindeken, richting Zepperen. In de stoet ging het van de stad naar de bewuste plek. Suske (Martens) en het Voorvelleke (Petit) werden iets voor de middag op twee passen van elkaar aan een balk geketend. Ze leefden volgens het executieverslag nog drie tot vier minuten in het vuur, maar waren na twee uren nog slechts een hoopje asse.
Dat was de bijnaam van een Franse deserteur, Petit die altijd een lederen smidsvel droeg. Hij huysde, hoetelde en boddelde met de buurvrouw van Suske en met twee Walen. Zijn veertienjarige zoon kreeg wroeging en praatte zijn vader na één week al aan de brandstapel. Truienaar Suske of Fransciscus Martens was een strodekker en leemplakker uit de Hel , een volkswijk nabij de Diestsepoort. Hij was ooit getrouwd geweest met een ware 'poup' van een vrouw, die stierf op bedevaart naar Compostela. Sus hertrouwde later met de dievegge Anastasia Kaky . Die zorgde voor de vuurlonten. Anastasia was een taai wijf en doorstond eerst de tortuur van tenenrek, duimschroeven en 'Spaanse' spanlaarzen. De strappade of de katrol waarmee de beul haar armen achterwaarts optrok deed Kaky uiteindelijk bekennen. Ze werd als medeplichtige gewurgd en geroosterd op de Grote Markt. Haar verminkte lijk hing later als afschrikking in een gaffel op de gerechtsplek van de abt, nu op de kruising van Tramstraat en Halmaalweg .
Hendrik Prijs gaf zijn roman Het Zwakke Verzet uit in 1942. Hij las daarvoor de originele processtukken door. Een proefje van de woorden die hij Suske in de mond legt: De groote winning stond, lijk de oogst in het veld, van de geweldige hitte der laatste dagen poederdroog en als te wachten op ons vonkje vuur. Met vieren hebben we het hem gelapt. De twee Walen, het Voorvelleke en ik. Petit bracht zijn melkmuil van een zoon mee. Ik keef hem verdacht aan, de kerel had een te eerlijk gezicht om betrouwbaar te zijn en bood te veel tegenstand. 'Hij kan een handje bijsteken', sprak het Voorvelleke, 'hij moet meer man worden'. 'Zijn wij geen mans genoeg, Voorvelleke?' 'Muil, dicht en aan 't werk!'
De rijke Lambert Keyenberg-Baltus had bij Bautershoven-Bernissem tussen de twee oorlogen een eigen vliegveld en liet naar verluidt de boodschap op hout uit 1784 vastleggen in de huidige steen aan de wegkant.
Bilzen 26.05.1913 Sint-Truiden 22.11.1986 Barbara Dreezen
Zoon van sloten- kachel- en fietsenmaker Louis en Agnes Beurts in Bilzen.
Louis werd zilverlasser voor mijnen Genk 1927. Fred eerst helper in garage. Boven- en ondergronds mijnwerker-magazijnier 1927-1936 in Winterslag en Waterschei. KAJ-lid op vraag van pater Anicetus Cools en Gerard Bijnens. Provinciaal voorzitter 1933 en vrijgesteld propagandist 1936 op aandringen Mgr. Broeckx. Activist staking 1936. ACW-propagandist Sint-Truiden 1938.
Beïnvloed door prof Karel Pinxten als vrije leerling Handelsschool Genk. Opgevorderd in dienst behoeftigensteun Sint-Truiden. Medestichter Katholieke Werkliedenbonden Limburg 1942. Sinds huwelijk in Sint-Truiden. Provinciaal secretaris ACV-Limburg 1945 en voorzitter ACW Limburg 1965-1978.

Volksvertegenwoordiger 1946-1978 en gemeenteraadslid Sint-Truiden 1947-1965. CVP-voorzitter Vlaamse vleugel 1959-1961. Minister van verkeerswezen 1961, volksgezondheid 1965 en opnieuw verkeer 1966-1972. Opening circuit Zolder 1963. Metro Brussel 1969. Invoering rijbewijs, verkeersonderricht, voorrang van rechts, oranje tussenlicht, pechdriehoek en voorrang voetganger op zebrapad. Oprichting Hoge Raad Verkeersveiligheid. Staking Sabenapiloten 1970. IJverde voor zelfstandig Bisdom Hasselt en Limburgs Universitair Centrum. Rellen sluiting mijn Zwartberg 1966. Europees politicus in de EGKS 1952, lid Europese Assemblee 1957 en voorzitter EVP-fractie 1975. Voorzitter Commissie Sociale Zaken en Arbeid Europees Parlement. Voorzitter Caritas Catholica bisdom Hasselt. Op rust 1978, nationaal voorzitter Katholieke bonden der gepensioneerden 1984. Vader van Hilde Houben-Bertrand (°1940), gouverneur van Limburg 1995–2005. Medestichter Limburgse Economische Raad en voorzitter Streekontwikkeling Zuid-Limburg vzw. IJverde als minister voor nieuw slachthuis en zwembad, overwelving Cicindria en aanleg sportpleinen. Voorzitter Fonds voor de Belgische Scheepvaart en Unie der Europese Federalisten 1978. Gouden penning Europese verdienste 1980 als voorzitter Europese Unie van Christen-Democratische Werknemers. Diverse artikels in De Stem van het Volk. Visser en jager. Pleinnaam naast kerk Bevingen 1988.
Archief in KADOC.