X, een schrijnwerker uit Gelinden, werkte in Boekhout. Op een avond was hij wat langer gebleven om kaart te spelen met de mensen voor wie hij werkte. Toen X naar huis wandelde bij heldere maneschijn, kwam hij een haas tegen. X gooide iets naar de haas, waarop het dier in een hond veranderde. De hond ging met X mee tot aan de Broeksteeg in Gelinden. Omdat het dier zo kort bij X' voeten liep, werd het verwond door een gesp van zijn schoen. Toen de hond bloed verloor, veranderde het dier in een mens. Het was een man met wie X diezelfde avond nog een kaartspel had gespeeld. X had nooit aan iemand de naam van de weerwolf durven te vertellen, want de man had hem bedreigd "Als je ooit mijn naam noemt, dan wordt het je dood."
Een schrijnwerker van Gelinden, Franske R., was te Boekhout aan 't werk gelijk schrijnwerkers uit werken gaan. Daar hadden ze op een avond met zessen kaart gespeeld tot twaalf uur 's nachts en 't was klare maneschijn toen Franske naar huis kwam, hij moest een uurke gaan. Toen hij hier boven aan de straat kwam, zat daar een haas en die zei stillekens 'Wacht menneke, als ik aan u kom, zal ik u een pees geven.' De haas bleef zitten en toen hij aan hem kwam, pakte hij zijn rij en smeet naar de haas, die sprong op de rij. En toen maakte Franske voorzichtig zijn rij uit te trekken (sic), maar toen werd het een hond en die ging mee tot aan de Broeksteeg te Gelinden, daar woonde Franske. En de hond liep zo kort bij hem dat hij 'hem' scherpte in de gesp van zijn schoen en toen hij bloed verloor, werd hij terug mens. En toen zag Franske dat het ene was die met hem gekaart had te Boekhout die eigenste avond. Maar hij dorst zijn naam nooit zeggen, want die had hem gedreigd 'Als ge mijn naam noemt, dan zijt ge dood.'
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Engelmanshoven

Een kaartje leggen in oorlogstijd kan je je kop kosten. Dat overkwam een eskadron Belgische ruiters op 17 augustus 1914 in Bernissembos . Dit bos was in 1900 iets zoals Nieuwenhovenbos nu: een geliefd wandeldomein met een drankgelegenheid. De boerenherberg van Truike Menten lag bij de Keelstraat aan de bosrand. De eiken, waaronder de kolossale Koning en Koningin, waren al enkele jaren gekapt, maar Fons Lassaut, weduwnaar van Truike, bakte er nog altijd eieren met hesp.

De Eerste Wereldoorlog was nog geen twee weken aan de gang. De Gidsen waren de heren van het Belgisch leger en bleven als verkenningstroepen meestal uit het echte strijdgewoel. Bij de officieren wemelde het van blauw bloed en zelfs de gesabelde soldaat-ruiters kwamen uit gegoede families. Soms ook wel waren het boerenjongens die gewend waren met paarden om te gaan en niet te zwaar wogen. Je herkende de Belgische Gidsen aan hun paarse broek, hun groene vest en een zwarte berenmuts of ‘kolbak’ met gele wollen knop vooraan. Tegenwoordig is de muzikale muziekkapel van de Gidsen ook nog in paars en groen gekleed.
De Gidsenregimenten zaten met de rest van de Belgische ruiterij verschanst achter de Gete te wachten op de Duitse invasie. Commandant baron de Wykerslooth de Rooyestein werd met heel zijn eskadron, zo’n honderdtwintig man, vooruitgestuurd. Ze moesten de doortocht van de Duitse hoofdmacht uit Tongeren naar Sint-Truiden bespieden. De groep kreeg duiven mee als postbodes. Het roemrijke terugslaan van de Duitse ruiterij bij Halen enkele dagen voordien was een enorme opkikker geweest. Toch waren mannen en paarden murw: twee weken kamperen kruipt in je kleren. Het was de mooiste zomer sinds jaren en de hitte drukte. De ruiters stegen dan ook af in de dekking van Bernissembos en de herberg Menten. Enkelen rustten, sommigen dronken en kaartten, en anderen gingen in de buurt fruit kopen. De commandant schreef – naar eigen zeggen achteraf – zijn rapport tijdens de rustpauze.

Plots brak de hel los: een compagnie Duitse voetsoldaten overviel de Gidsen en schoot op alles wat bewoog. Die Duitse ‘Leibgrenadiers’ in veldgrijs uniform waren ’s middags toevallig ingekwartierd bij de Paters op Terstok in Zepperen. Ze wilden zich eigenlijk gaan wassen na hun lange voetmars door het stof der wegen. Een oude korporaal, uitgezet als schildwacht, had de rustende Belgen bemerkt en sloeg stilletjes alarm. Eerst wou niemand hem geloven, maar enkele jonge sabelslepers waren tuk op vechten en wilden hun eerste echte schoten in de oorlog lossen. Het groepje Gidsen kortst bij de herberg werd overvallen en uitgeroeid. De oude Fons werd met bajonetsteken afgemaakt en zijn café ging in de vlammen op. Baron de Wykerslooth kon de volgende morgen terug over de Gete terugkeren met nog maar dertig ruiters zonder hun paarden.
Op het kleine slagveld bij Bernissembos bleven dode paarden, ruiters en berenmutsen achter. Pas uren later durfden de omwonenden gaan kijken. Enkele gezichten van gesneuvelden waren al aangevreten door uitgebroken varkens. De Assumptionistenpaters begroeven de dode landgenoten ter plekke. Pas de volgende winter kregen ze een plechtig graf op het kerkhof van Zepperen. Nog in 1994 zette de Remacluskring een herinneringsplaatje in de Keelstraat.
En de berenmutsen? Die werden als souvenir op de kloosterzolder verstopt. Ze doken af en toe terug op bij de ‘Ezels’, namaakruiters van de Roosbeek, een volksstraat in Zepperen. Met berenmuts, getekende snor en nepbenen naast hun bretellenpaard reden ze in de jaren 1930 en 1940 in elke stoet van het dorp, of het nu de inhuldiging van de nieuwe betonweg was of de inhaling van een pastoor. De ene zijn dood is de ander zijn vermaak…
