Toverboek

Een schrijnwerker die in Mielen-boven-Aalst  ging werken, kwam onderweg een veulen tegen. De schrijnwerker ging op het veulen zitten en sloeg het dier op de neus, waardoor het begon te bloeden. Het volgende ogenblik veranderde het veulen in de beste vriend van de schrijnwerker. De vriend sprak opgelucht "Wat ben ik gelukkig omdat ik verlost ben!" De man had langs de weg een toverboek van de duivel gevonden. Door in het boek te lezen, was de man in een veulen veranderd.

dô was ne schrênwerker; en dee ging werken in Miele-bouven-Oolst; tusse de 2 dörpe was ene boeum; en as hem dô kam, kam e joeng vuile tusse z’n biene en e zat erop en eweg ermei; en hem sloeg mê zene meiter op de nôs van ’t vuile; en dee begon te bloeie; en ’t was zene beste kamerôd. "Wa ben ik gelukkig, zeit er, nâ ben ik verlost"; dee hâ nen boek gevoengen op de weg en dô begonnen in te leze; en da was dan den duvel, hê! en zoe was hem in vuile veranderd.

Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Gelinden

ONTDEKKING VAN DE DAG

Een weerwolf in Melveren

Een weerwolf in Melveren

In Melveren , een gehucht van Sint-Truiden, woonde een zekere X. Op zekere dag ging X met zijn vriendin naar de kermis in Kortenbos. Deze man had echter een pact gesloten met de duivel, wat betekende dat hij regelmatig enkele uren als weerwolf moest rondlopen. Omdat X op de kermis plots voelde dat dat moment was aangebroken, zei hij tegen zijn vriendin: "Als je een hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil. Op die manier zal het beest je geen kwaad doen." 

Omdat een weerwolf geen kruis kan oversteken, moet hij de draadjes van de zakdoek één voor één uitrafelen vooraleer hij verder kan. 

Het meisje antwoordde: "Neen, blijf maar bij mij!", waarop haar vriend: "Neen, ik moet dringend even een boodschap doen." 

Toen X weg was, kwam er een lelijke zwarte hond naar het meisje toe. Ze deed onmiddellijk wat haar vriend had gezegd, waarop de hond de zakdoek in stukken scheurde. Een kwartier later kwam X terug. Zijn vriendin vertelde hem dat ze doodsangsten had uitgestaan terwijl hij weg was. Wat verderop ging het tweetal iets drinken in een café. Het meisje bekeek haar vriend eens goed, en riep geschokt: "Jij smeerlap, je bent het zelf geweest, want de vezels van de zakdoek hangen nog tussen je tanden!" 

X zei dat ze het zich maar inbeeldde, maar het meisje wilde hem toch nooit meer zien.


Opgetekend door F. Beckers in 1947.
Bron: volksverhalenbank.be