Toverboek

Een schrijnwerker die in Mielen-boven-Aalst  ging werken, kwam onderweg een veulen tegen. De schrijnwerker ging op het veulen zitten en sloeg het dier op de neus, waardoor het begon te bloeden. Het volgende ogenblik veranderde het veulen in de beste vriend van de schrijnwerker. De vriend sprak opgelucht "Wat ben ik gelukkig omdat ik verlost ben!" De man had langs de weg een toverboek van de duivel gevonden. Door in het boek te lezen, was de man in een veulen veranderd.

dô was ne schrênwerker; en dee ging werken in Miele-bouven-Oolst; tusse de 2 dörpe was ene boeum; en as hem dô kam, kam e joeng vuile tusse z’n biene en e zat erop en eweg ermei; en hem sloeg mê zene meiter op de nôs van ’t vuile; en dee begon te bloeie; en ’t was zene beste kamerôd. "Wa ben ik gelukkig, zeit er, nâ ben ik verlost"; dee hâ nen boek gevoengen op de weg en dô begonnen in te leze; en da was dan den duvel, hê! en zoe was hem in vuile veranderd.

Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Gelinden

ONTDEKKING VAN DE DAG

Alomme rust

Alomme rust

De Zondag-middag is héél ingetogen.
De
luchten, klaar van winterkilte, beven
met teeder rood van lage zon doorweven;
de luchten, waar geen vogel komt gevlogen...

De middagrust mag gééne stoornis doogen.
Al
wil somwijlen vluchtig óverzweven
een verre galm van joelend kinderleven :
dra weegt de klare rust weer onbewogen.

Is het in sneeuw – die dezen nacht zoo zacht
de stille stede zwachtelde in heur vacht –
dat doezel-vaag verdooven nu geluiden?

O vrome middagvrede van Sint-Truiden,
dat om te ontwaken uit zijn sluimer, wacht
tot plotse kloosterklokken vespers luiden !




Onderschrift bij deze fotoLit.: P. DE PAUW, recensie in Boekengids, 1, 1923-1924, nr. 361; L. BRANS, Hilarion Thans o.f.m., in Monografieën van de Koninklijke Vereniging van Limburgse Schrijvers, 3, nr. 4, december 1992.
Gedicht in Hilarion THANS, Omheinde hoven, 4de uitgave, Mechelen, Sint-Franciscusdrukkerij, 1927, p. 35.
Hilarion Thans (Maastricht 1884 – Lanaken 1963), minderbroeder en auteur. Gedicht geschreven tussen november 1909 en maart 1910 op onoogige papiertjes toen de jongeman bedlegerig was van een bloedspuwing in het Sint-Truidense klooster. Uit de bundel Ziekebloemen. II. Open ramen. Voor het eerst verschenen onder pseudoniem F.M. Minderbroeder in ’t Daghet in den Oosten, 16, 1910, p. 58 als gedicht nr. XXI met bijhorend citaat Facta est tranquillitas Magna. En er kwam een groote rust (Evang.).