Heksen moeten hun kunst verder geven

Heksen moeten hun kunst verder geven

In Opheers leed een heks op haar sterfbed verschrikkelijke pijnen. De pastoor was naar haar toe gekomen om haar te laten biechten, maar hij begreep onmiddellijk dat de heks haar kunst eerst moest doorgeven vooraleer ze zou kunnen sterven. Om haar te laten sterven, sprak de pastoor tot de dochter "Neem jij haar kunst maar over, dan zal ik er je later wel van bevrijden." Toen de vrouw enkele dagen dood was, ging de pastoor het meisje opzoeken en vroeg haar "Wel, moet ik je nu de heksenkunst afnemen?", maar het meisje wilde haar krachten niet kwijt, want ze had er al veel te veel plezier aan beleefd.

Te Opheers lag een heks op sterven en ze zag verschrikkelijk af en dat duurde al verschillende dagen. De pastoor was gekomen om haar te biechten. Hij zag wel direct dat daar iets anders tussen zat, hij wist wel dat een heks haar kunst moest verder geven. Als ze te lang heks geweest was kondt ge dat zo maar niet ineens laten afnemen. En om haar te laten sterven, zei hij tegen de dochter 'Gij moet haar kunst overnemen, ik zal het u dan komen afnemen.' Toen de vrouw al enige dagen dood was, kwam hij af. 'Wel, moet ik het u nu afnemen?' zei de pastoor. 'Ik zou niet graag, Mijnheer pastoor, ik heb veel te veel plezier elke nacht. Dat wil ik niet kwijt zijn', zei het meisje en ze bleef heks. Later zal ze daar wel spijt van gehad hebben, want de heksen zien zelf ook veel af van het kwaad.

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Groot-Gelmen

ONTDEKKING VAN DE DAG

Alomme rust

Alomme rust

De Zondag-middag is héél ingetogen.
De
luchten, klaar van winterkilte, beven
met teeder rood van lage zon doorweven;
de luchten, waar geen vogel komt gevlogen...

De middagrust mag gééne stoornis doogen.
Al
wil somwijlen vluchtig óverzweven
een verre galm van joelend kinderleven :
dra weegt de klare rust weer onbewogen.

Is het in sneeuw – die dezen nacht zoo zacht
de stille stede zwachtelde in heur vacht –
dat doezel-vaag verdooven nu geluiden?

O vrome middagvrede van Sint-Truiden,
dat om te ontwaken uit zijn sluimer, wacht
tot plotse kloosterklokken vespers luiden !




Onderschrift bij deze fotoLit.: P. DE PAUW, recensie in Boekengids, 1, 1923-1924, nr. 361; L. BRANS, Hilarion Thans o.f.m., in Monografieën van de Koninklijke Vereniging van Limburgse Schrijvers, 3, nr. 4, december 1992.
Gedicht in Hilarion THANS, Omheinde hoven, 4de uitgave, Mechelen, Sint-Franciscusdrukkerij, 1927, p. 35.
Hilarion Thans (Maastricht 1884 – Lanaken 1963), minderbroeder en auteur. Gedicht geschreven tussen november 1909 en maart 1910 op onoogige papiertjes toen de jongeman bedlegerig was van een bloedspuwing in het Sint-Truidense klooster. Uit de bundel Ziekebloemen. II. Open ramen. Voor het eerst verschenen onder pseudoniem F.M. Minderbroeder in ’t Daghet in den Oosten, 16, 1910, p. 58 als gedicht nr. XXI met bijhorend citaat Facta est tranquillitas Magna. En er kwam een groote rust (Evang.).