Op het kasteeldomein van Bovelingen reed 's nachts vaak een geestenkoets rond, die door paarden werd getrokken. Op een dag vroeg een voorbijganger aan de koets "Waarom kom je hier altijd? Wat wil je hebben?", waarop een stem antwoordde "De dag voor jou en de nacht voor mij." Een Witheer die pastoor was van Batsheers, heeft de geest verbannen aan een eik. Vóór hij daarin slaagde, had de pastoor heel wat moeten verduren, want de geest had hem onderweg meerdere malen in een beek geduwd. Achteraf zei de pastoor "Gelukkig kende ik mijn paternoster goed, want anders zou het duiveltje mij lelijk toegetakeld hebben!" Hoewel de geest was verbannen, hebben de kinderen die op het kasteel waren geboren, heel hun leven ongeluk gehad.
Op het kasteel van Bovelingen reed vroeger 's nachts een vurige koets rond en ze was door vuurpaarden getrokken. De mensen van het kasteel vroegen eens wat ze moesten hebben. 'De dag voor u en de nacht voor mij' antwoordde een stem uit de koets. W., de pastoor van Batsheers, een Witheer, heeft die geest gebannen aan een eik. Maar eerst had de geest hem door een beek gejaagd. De pastoor van Batsheers zei daarna altijd ''t Is goed dat ik mijn paternosterke goed heb gekennen, anders zou 't duivelke mij gerendjeerd hemmen' (toegetakeld hebben). Op dat kasteel is er toen nog geen geluk geweest, daar waren veel kinderen en ze zijn allemaal weggetrokken, en er is niets van hen gekomen.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Groot-Gelmen
Ref.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.
Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.
Ref.
En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.
Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.