Op het kasteeldomein van Bovelingen reed 's nachts vaak een geestenkoets rond, die door paarden werd getrokken. Op een dag vroeg een voorbijganger aan de koets "Waarom kom je hier altijd? Wat wil je hebben?", waarop een stem antwoordde "De dag voor jou en de nacht voor mij." Een Witheer die pastoor was van Batsheers, heeft de geest verbannen aan een eik. Vóór hij daarin slaagde, had de pastoor heel wat moeten verduren, want de geest had hem onderweg meerdere malen in een beek geduwd. Achteraf zei de pastoor "Gelukkig kende ik mijn paternoster goed, want anders zou het duiveltje mij lelijk toegetakeld hebben!" Hoewel de geest was verbannen, hebben de kinderen die op het kasteel waren geboren, heel hun leven ongeluk gehad.
Op het kasteel van Bovelingen reed vroeger 's nachts een vurige koets rond en ze was door vuurpaarden getrokken. De mensen van het kasteel vroegen eens wat ze moesten hebben. 'De dag voor u en de nacht voor mij' antwoordde een stem uit de koets. W., de pastoor van Batsheers, een Witheer, heeft die geest gebannen aan een eik. Maar eerst had de geest hem door een beek gejaagd. De pastoor van Batsheers zei daarna altijd ''t Is goed dat ik mijn paternosterke goed heb gekennen, anders zou 't duivelke mij gerendjeerd hemmen' (toegetakeld hebben). Op dat kasteel is er toen nog geen geluk geweest, daar waren veel kinderen en ze zijn allemaal weggetrokken, en er is niets van hen gekomen.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Groot-Gelmen
Sint-Truiden 11.05.1145
Jong ingetreden als monnik. Cellarius en cantor 1108, proost 1112. Ondanks protest van graaf van Duras tot abt gewijd in Fosse 1138. Restaureerde verder de abdij na Rodulfus o.a. slaapzaal, kapittelzaal en infirmerie. Was in conflict met Arnold van Diest en maakte bezetting mee door Godfried van Brabant in 1140 en 1142. Ontving talrijke schenkingen van lokale burgerij, maar onderging brouwersopstand in 1143-1144. Liet goed in Hakendover na. Begraven in midden abdijkerk 1145.