De weerwolf laat zich dragen

De weerwolf laat zich dragen

In een holle weg in Melveren zat vroeger een weerwolf. Op een dag wandelde X, een jongeman van vijfentwintig, door de holle weg, toen er plots een weerwolf op zijn rug sprong. De poten van het dier leken op die van een kalf. X wist van zijn moeder dat hij het Sint-Jansevangelie moest bidden om de weerwolf kwijt te raken. En inderdaad, het dier verdween. Toen de jongeman bevend van schrik thuiskwam, liet hij zich onmiddellijk door zijn moeder met wijwater besprenkelen. Zijn moeder, die afkomstig was van Zepperen, had ooit ook eens een weerwolf gezien. Nadat ze hulp was gaan halen, hadden enkele mannen het dier met een sikkel verwond. Toen de weerwolf bloed verloor, nam hij weer zijn menselijke gedaante aan. Het bleek een man van Zepperen te zijn.

Die holle weg daar hebt ge al gezien? Die is aan weerskanten bewassen met bomen en doornen en struiken en het was vroeger de spraak dat daar een weerwolf zat. Ene van mijn werkvolk Bona, een jongen van vijf en twintig jaar, hield bij hoog en bij laag vol dat hij daar de weerwolf eens had moeten dragen. Bona kwam door die holle weg en daar sprong de weerwolf in zijn rug, hij was gelijk een kalf en zijn poten had hij hier zo. Dat was me iets en hij was zo zwaar en dat moest Bona dragen. Maar hij wist van zijn mam wat hij moest doen en hij begon het evangelie van Sint-Jan te bidden en toen hij halfweg was, liet de weerwolf 'hem' vallen. Zo, ziet, zo beefde hij toen hij het vertelde en toen hij thuiskwam, riep hij 'Maar wijwater mam, maar wijwater op me.' Zijn moeder was van Zepperen en die had daar ook eens een weerwolf zien lopen. Toen hadden ze daar een sikkel aan een staak gebonden en toen waren ze daar gaan zoeken en toen ze hem zagen, kapten ze hem in zijn hals met die sikkel, en lijk een weerwolf bloed laat, is hij terug mens. Dat was ook ene van Zepperen.

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Melveren

ONTDEKKING VAN DE DAG

Een marmeren buste voor de oud-burgemeester

Clement Cartuyvels  was de zoon van een zeepfabrikant op de Grote Markt en neefje van burgemeester Guillaume Vanvinckenroy . Hij droeg zelf de sjerp tussen 1899 en 1921. Op zijn CV lezen we: advocaat, bankier, provincieraadslid, gedeputeerde, vrederechter, gemeenteraadslid, volksvertegenwoordiger, senator, voorzitter Sint-Vincentiusgenootschap, derdeordeling en katholiek. Hij maakte de Belle Epoque in zijn stad mee: vernederlandsing van het bestuur, aanleg tramlijnen, riolering, waterleiding, bouw slachthuis, provinciale 'expositie' in 1907. Maar Clément moest ook de schok van de Duitse inval meemaken. Zijn zoon Paul, majoor van de Burgerwacht, verdween een jaar in Duitse kampen en hijzelf werd het laatste jaar van de oorlog uit zijn ambt ontheven. Clément woonde in de Capucijnenstraat in een herenhuis, later omgebouwd tot Sint-Annakliniek. 



De bank Cartuyvels:



Clément stierf op zijn kasteeltje in Verlaine en kreeg, behalve een straatnaam (de vroegere Capucijnen- en Coemansstraat) in 1921, ook een marmeren borstbeeld. Toen zijn zoon notaris Paul Cartuyvels  in 1927 zelf burgemeester werd, kreeg hij van zijn makkers oud-burgerwachten een ontwerptekening voor een borstbeeld van zijn papa cadeau. De ontwerper was niemand minder van Victor de Haen uit het Brusselse, die ook de wedstrijd had gewonnen voor het monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op Sint-Marten. Op kosten van het stadsbestuur werd de buste in marmer uitgevoerd en prijkte voortaan in het stadhuis. Momenteel in erfgoeddepot bij de Zusters Ursulinen. Vermits het beeld postuum werd getekend, herken je duidelijk de pose op het bidprentje van Clément Cartuyvels. Op zijn linkerschouder liet de beeldhouwer van het witte marmer zijn naam in sierlijke letters na. 







Lees: 
Wie was wie in Sint-Truiden?, Sint-Truiden: Stedelijke openbare bibliotheek, 2011, p. 39 en 43-45.