De weerwolf laat zich dragen

De weerwolf laat zich dragen

In een holle weg in Melveren zat vroeger een weerwolf. Op een dag wandelde X, een jongeman van vijfentwintig, door de holle weg, toen er plots een weerwolf op zijn rug sprong. De poten van het dier leken op die van een kalf. X wist van zijn moeder dat hij het Sint-Jansevangelie moest bidden om de weerwolf kwijt te raken. En inderdaad, het dier verdween. Toen de jongeman bevend van schrik thuiskwam, liet hij zich onmiddellijk door zijn moeder met wijwater besprenkelen. Zijn moeder, die afkomstig was van Zepperen, had ooit ook eens een weerwolf gezien. Nadat ze hulp was gaan halen, hadden enkele mannen het dier met een sikkel verwond. Toen de weerwolf bloed verloor, nam hij weer zijn menselijke gedaante aan. Het bleek een man van Zepperen te zijn.

Die holle weg daar hebt ge al gezien? Die is aan weerskanten bewassen met bomen en doornen en struiken en het was vroeger de spraak dat daar een weerwolf zat. Ene van mijn werkvolk Bona, een jongen van vijf en twintig jaar, hield bij hoog en bij laag vol dat hij daar de weerwolf eens had moeten dragen. Bona kwam door die holle weg en daar sprong de weerwolf in zijn rug, hij was gelijk een kalf en zijn poten had hij hier zo. Dat was me iets en hij was zo zwaar en dat moest Bona dragen. Maar hij wist van zijn mam wat hij moest doen en hij begon het evangelie van Sint-Jan te bidden en toen hij halfweg was, liet de weerwolf 'hem' vallen. Zo, ziet, zo beefde hij toen hij het vertelde en toen hij thuiskwam, riep hij 'Maar wijwater mam, maar wijwater op me.' Zijn moeder was van Zepperen en die had daar ook eens een weerwolf zien lopen. Toen hadden ze daar een sikkel aan een staak gebonden en toen waren ze daar gaan zoeken en toen ze hem zagen, kapten ze hem in zijn hals met die sikkel, en lijk een weerwolf bloed laat, is hij terug mens. Dat was ook ene van Zepperen.

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Melveren

ONTDEKKING VAN DE DAG

De trap des aanstoots

De Luikse architect Etienne Fayn slaagde erin om een mooi stadhuis in Luikse classicisme te ontwerpen rond de oude halle en de belforttoren. De stadsmagistraat betrok zijn nieuwe symmetrische bouw in juli 1759 onder begeleiding van drie kanonsalvo's. De interieurafwerking, vooral door de modieuze Luikse vakmensen, moest toen nog beginnen.
Maar... die saaie horizontale kroonlijst wou de stad als bouwheer toch verbeteren. Kijkend naar Brabant en Antwerpen liet ze in 1766 zwierige frontons met klokgevel, curven en tegencurven plaatsen aan de hoofdgevel. Pater minderbroeder Johannes Bolgrez bracht een plan mee uit Antwerpen. Ook kwam er een dubbele puitrap naar de verdieping, om de begane grond te kunnen verhuren. Enkele jaren later verdween deze blijkbaar té bombastische ingreep terug. 

Eigentijds kroniekschrijver Debruyn is genadeloos voor zoveel pretentie en tekent - met veel lekenfantasie - dit on-Luikse gedrocht. Hij schrijft ook hoe men half juni 1766 bouwt aan "eene nieuwe blauw steene balcon, ende het frontispicium wierd verciert met nieuwe crollen, oock met eenen nieuwen noijt in dese landen geinventeerde blauw steenen trap dienende tot spot der borgers ende vreemdelingen hier passerende om het onnodigh ende verquist geldt". 

Van deze verbeteringsoperatie getuigt nog een jaartalsteen met stadswapen boven het balkon. 






Lees: Christine VANTHILLO, Het stadhuis van Sint-Truiden, van binnen uit bekeken, in Sint-Truiden in de 18de eeuw, tentoonstellingscataloog, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300 vzw., 1993, p. 109-117; Fernand DUCHATEAU, Het boek van Debruyn. Een kroniek van de achttiende eeuw in Sint-Truiden, in idem, p. 168 en 209-267 en Sint-Truiden 1693-1793, in idem, p. 7-26; Het stadhuis van Sint-Truiden. Hart van de democratie, Sint-Truiden: stadsbestuur, 2018, p. 131-133.