
Ik ben Abdij, ik sta
ik blijf, de tijd een
passant aan mij.
Huis van gebed
en geschrift, van
naarstig en van stil
geschuifel
Offergangers komen voorbij,
pelgrims polijsten mijn
dijen, scholieren schallen
in mij hun lust, hun leed.
Ik ben Abdij.
Lenteregens geselen mijn gevels,
avondzon zalft mijn muren
een beek wast mijn voeten oud,
steeds weer, steeds beter.
Ik ben Abdij, in verzamel
stof en verleden, alles gaat
voorbij, niet zo mijn heden.
Foto: Herman Rohaert

Te Engelmanshoven heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:
'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',
dan kwamen ze uw werk doen. '
Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.
'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.
Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.
'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'
Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:
'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!'
en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.
Opgetekend door F. Beckers in 1948