Een weerwolf die bloed verliest wordt weer mens

Een weerwolf die bloed verliest wordt weer mens

X uit Duras was een weerwolf. Toen de weerwolf op een dag een man aanviel, had die hem op zijn snuit geslagen, waardoor hij bloed verloor. Daarop veranderde de weerwolf in een mens. De man herkende de weerwolf onmiddellijk en vertelde zijn naam aan iedereen. De pastoor verplichtte de man echter om in de kerk zijn woorden terug te nemen "Mensen, ik heb gezegd dat X een weerwolf is. Dat is niet waar, maar kijk toch maar uit voor hem!" Er wordt ook verteld dat het zoontje van X zei "Mijn vader verandert zich in een hond, en ik sla hem met een zweep op zijn achterste."

Jan T. van Duras was een weerwolf en hij had een man aangevallen en die had hem op zijn snuit 'gehood' en toen hij gebloed had, was hij mens en toen was hij gekend en die man had dat overal verteld. Maar toen verplichtte de pastoor hem zijn woorden terug te nemen en in de kerk heeft hij toen gezegd 'Mensen, ik moet mijn woorden herroepen dat Jan T. een weerwolf is, maar hoedt u voor hem.' Toen wisten de mensen toch dat Jan T. ene was. Ze vertelden ook dat Jan T. zijn zoontje eens gezegd had'Onze pa, die maakt 'hem' hondEn ik kap hem met een 'smetje' in zijn kont.'

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Runkelen

ONTDEKKING VAN DE DAG

As we carnaval gon viere in Sintruin

As we carnaval gon viere in Sintruin

Ref.
As
we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As
we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.

Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.

Ref.

En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.

Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.



21 Sintruinse miezengers, Sint-Truiden: Het Feestcomité, 1999. Tekst Rudi Festraerts en muziek Ray Heeren. Gezongen door Marcel Gelders, schepen van o.m. cultuur en feestelijkheden.