Een moeder was met haar zoon naar de kermis geweest. Op de terugweg moest de zoon even een boodschap doen. Ondertussen zag de moeder een weerwolf aankomen en gooide haar rode zakdoek naar het beest. Toen haar zoon terugkwam, zag de moeder dat hij de vezels van de zakdoek nog tussen zijn tanden had.
dô was een vrouw; en di was mêd huire zoun no de kermis geweest; en hem moes z’n broek afdoen; en dô kam ne groeuten hond af; en ze smeit huire roeie tasdoek en den hond verschuirden hem; en as huire zoun trukkam, zag ze de veizels tusse z’n tân hange.
Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Runkelen
De Luikse architect Etienne Fayn slaagde erin om een mooi stadhuis in Luikse classicisme te ontwerpen rond de oude halle en de belforttoren. De stadsmagistraat betrok zijn nieuwe symmetrische bouw in juli 1759 onder begeleiding van drie kanonsalvo's. De interieurafwerking, vooral door de modieuze Luikse vakmensen, moest toen nog beginnen.
Maar... die saaie horizontale kroonlijst wou de stad als bouwheer toch verbeteren. Kijkend naar Brabant en Antwerpen liet ze in 1766 zwierige frontons met klokgevel, curven en tegencurven plaatsen aan de hoofdgevel. Pater minderbroeder Johannes Bolgrez bracht een plan mee uit Antwerpen. Ook kwam er een dubbele puitrap naar de verdieping, om de begane grond te kunnen verhuren. Enkele jaren later verdween deze blijkbaar té bombastische ingreep terug.
Eigentijds kroniekschrijver Debruyn is genadeloos voor zoveel pretentie en tekent - met veel lekenfantasie - dit on-Luikse gedrocht. Hij schrijft ook hoe men half juni 1766 bouwt aan "eene nieuwe blauw steene balcon, ende het frontispicium wierd verciert met nieuwe crollen, oock met eenen nieuwen noijt in dese landen geinventeerde blauw steenen trap dienende tot spot der borgers ende vreemdelingen hier passerende om het onnodigh ende verquist geldt".
Van deze verbeteringsoperatie getuigt nog een jaartalsteen met stadswapen boven het balkon.
