Baerts, Arthur (Henri), secretaris-generaal

Sint-Truiden 15.07.1859  – Grimbergen 25.10.1940   , x Josepha Caluwaerts 

Zoon van handelaar Hubert François en moeder Coekelberghs. Ll. College. Jurist Brussel 1885. Naar Congo 1887, rechter 1ste Aanleg Beneden-Congo en rechter Krijgsraad Boma. Interim-directeur departement justitie 1889. Naar België. Kabinetschef staatssecretaris 1891. Directeur- en secretaris-generaal Ministerie Koloniën 1904-1924. Lid van diverse sociale commissies voor ambtenaren. Gevangenschap Holzminden (D.) juni-december 1917. 

 Publ.: Organisation politique, civile et pénale de la tribu des Mousseronghes, in Bulletin de la Société belge de géographie, 14, 1890, p. 137-154. 
 Lit.: Edouard JANSSENS en Albert CATEAUX, Les Belges au Congo. Notices biographiques, 1, Antwerpen, 1908, p. 706 met portretfoto; Bulletin de l’Association des vétérans coloniaux, mei 1930, p. 18 en nov. 1939, p. 7; R. BONNAERENS, in Belgische koloniale biografie, 4, Brussel, 1955, kol. 9-11; JORISSEN.


ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be