De boter behekst

De boter behekst

Er werd verteld dat X een heks was. Enkele mannen reden met paard en kar in het Zuurbos in Duras, toen X daar voorbijkwam en vroeg "Zijn jullie onderweg, mannen?" Even later zat het wiel van de kar vast, zodat ze X moesten roepen. Ze stak iets onder het wiel en onder de poten van de paarden, en toen reed de kar weer verder. In Grazen was men bezig met boter karnen, toen X binnenkwam en vroeg "Zijn jullie boter aan het karnen?" Toen ze weg was, zei men "Wat zal er nu weer fout lopen; de heks is weer hier geweest." Toen men dacht dat de boter klaar was, vond men niets anders dan vuiligheid en kaf. Ze moesten X halen, die zei "Ik zal jullie verlossen van de kwade hand", en ze stak iets onder het botervat en sprak "Karn nog maar een beetje. Zometeen zal de boter wel klaar zijn." En zo gebeurde het inderdaad.

Pauline K. was een heks. Mijn 'nonken' waren met de 'ötsen' bomen aan 't 'varen' in 't Zuurbos te Duras en toen kwam Pauline daar door. 'Zijt ge aan 't 'varen', mannen?' zei ze, en een beetje daarna staken ze vast, ze konden niet meer verder, en ze moesten haar weer bijhalen en toen stak zij iets onder 't rad en onder de poten van de paarden en toen ging het.En in Grazen waren ze aan 't boteren toen ze daar binnenkwam en ze zei 'Zijt ge aan 't boteren?' en zo 't een en 't ander en toen ze weg was, zeiden ze nog 'God weet wat we nu weer aan de hand hebben, de heks is weer hier geweest.' En toen ze meenden dat ze boter hadden, deden ze de 'rol' open en daar stak niets als vuiligheid in en kaf. Ze moesten de heks ook gaan halen en ze zei 'Ik zal u daarvan verlossen, ik zal de kwadehand van u aftrekken' en ze stak iets onder de 'rol' en toen zei ze 'Rolt nog maar een beetje, seffens zal de boter er wel zijn' en dat kwam uit.

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Wilderen

ONTDEKKING VAN DE DAG

As we carnaval gon viere in Sintruin

As we carnaval gon viere in Sintruin

Ref.
As
we carnaval gon viere in Sintruin,
Loote wee de klokke van den toure luin,
As we carnaval gon viere in Sintruin,
Loepe wee ni recht, ma loepe feelinks schuin.
As
we carnaval gon viere in Sintruin,
Dreinke wee e pintje en gon haand in haand,
Vör te daasten albedieën rond de Latsjaan.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.

Iederien du mie, och de Gemeinterood,
Effekes de tuigels los kan ginne kood,
Iel het joor ston zijlinks al in vlam en vuur,
Vuir et goed van ’t Stadsbestuur.
Carnaval da zit doe in, da vuul dzje zelf,
Telt ze mèr, die groep is och bè drei maal elf.
En de boug kan alted ni gespanne ston,
Doever loote ze un dan ins per joor ins gon.

Ref.

En vuir goed te fieëste, is doo ‘t Fiestcomiteit,
Dei kreige subsidies och op stond en tijd,
Ma ze moete luistere noo et Stadsbestuur,
Gelèk de Rood van de Commeduur,
Vesteloovet is doe toch vuir iel de stad,
Ozze carnavalsgroepe dee weite da,
En as Scheipe va Plezier roep ich och ‘Vuur!’
Carnaval da is en echte volkscultuur.

Ref.
Ref.
Want zoe gie de carnaval in Groeët Sintruin.



21 Sintruinse miezengers, Sint-Truiden: Het Feestcomité, 1999. Tekst Rudi Festraerts en muziek Ray Heeren. Gezongen door Marcel Gelders, schepen van o.m. cultuur en feestelijkheden.