In de buurt van de Grevensmolen in Sint-Truiden hing vaak een heks rond. Die heks had een kat bij zich, die bij elke stap tussen haar benen door sprong. Op een dag zei de molenaar "Dat is niet erg als je een heks kan voorbijsteken en je zet dan je voeten kruiselings over elkaar, dan neemt de heks haar ware gedaante aan." Toen X dat eens uitprobeerde, veranderde de heks onmiddellijk in Y. Y zorgde er vaak voor dat mensen verdwaalden. Op een avond kwamen Z en Z2 de heks tegen, en ze zei "Goedenavond mannen! Jullie zijn nog laat op weg, maar jullie zijn bijna thuis. Nog een goede reis!" De mannen stapten de hele nacht verder zonder te weten waar ze waren. Toen het 's ochtends licht werd, waren ze in Nieuwerkerken.
Rond Grevensmolen te St.-Truiden liep altijd een heks en daar was een kat bij en als ze ging, sprong die kat altijd tussen haar benen door bij elke stap dat ze zette. Maar de mensen konden niet weten wie dat was. 'Dat is niets, zei op een keer de 'molder', ik heb gehoord dat als ge vóór een heks kunt geraken en ge zet uw voeten kruisgewijze als ge gaat, dan verandert ze ogenblikkelijk in de persoon die ze werkelijk is.' En Guske A. deed dat, ge moest hem zien springen, en de heks was Pauline K., die hebben ze toen heks geheten. Die kon u doen verloren lopen. Op een avond kwamen Tinus B. en Kobe K. haar tegen en ze zei ''n Avond mannen, ge zijt nog laat op gang, maar ge zijt bijkans thuis, goei reis.' En die twee gingen en gingen, de hele nacht en ze wisten niet meer waar ze zaten. 's Morgens toen het begon klaar te worden, waren ze te Nieuwerkerken.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Wilderen
Achter het piramidekerkje van Bautershoven houdt een blauwe steen zich recht in de graskant. Gelukkig heeft iemand er een boompje naast geplant, anders rij je er zo voorbij.
Hendrik Prijs, onze Limburgse Elsschot, schreef het trieste verhaal van Suske de Poup en het Voorvelleke . Dat deden later ook historieschrijver Achille Thijs, de dialectkring Het Neigemenneke en historicus Frank Decat.
Die twee bejaarde vagebonden werden volgens de ingekapte tekst op de steen hier levend verbrand begin oktober 1784. Ze hadden de Gebrande winning in de fik gestoken, verderop richting stad.
Nu laait het vuur daar alleen nog op onder het fornuis om de restaurantbezoekers te verwennen met een zakenlunch. In de zijgevel boven een poortje lees je het jaartal 1785 en de initialen van pachter Van den Hove op de sluitsteen.

De bokkenrijders liggen nog in ons gezamenlijk geheugen, al was het maar door een album van Suske en Wiske. Maar of de twee brandstichters bij zo'n bende hoorden? In elk geval biechtten ze op dat op de heide 't Dekket in Zepperen een duivelse eed van zwijgplicht was afgelegd. Aanstokers waren vier Walen, maar die zijn nooit gesnapt. Criminelen in de jaren 1700 probeerden wel meer bij de rijke boeren geld af te persen. Ze dreigden met brandstichting in een anonieme brief, vastgebonden aan de ring van de poort. De lemen boerderijen onder strodak waren een weerloze prooi.
Petit en Martens voerden hun dreigement uit maar vielen al snel in handen van de schout, zowat de sheriff of politiecommissaris in die tijd. Ze werden gefolterd bij hun verhoor en terechtgesteld aan het Gebrand Lindeken, richting Zepperen. In de stoet ging het van de stad naar de bewuste plek. Suske (Martens) en het Voorvelleke (Petit) werden iets voor de middag op twee passen van elkaar aan een balk geketend. Ze leefden volgens het executieverslag nog drie tot vier minuten in het vuur, maar waren na twee uren nog slechts een hoopje asse.
Dat was de bijnaam van een Franse deserteur, Petit die altijd een lederen smidsvel droeg. Hij huysde, hoetelde en boddelde met de buurvrouw van Suske en met twee Walen. Zijn veertienjarige zoon kreeg wroeging en praatte zijn vader na één week al aan de brandstapel. Truienaar Suske of Fransciscus Martens was een strodekker en leemplakker uit de Hel , een volkswijk nabij de Diestsepoort. Hij was ooit getrouwd geweest met een ware 'poup' van een vrouw, die stierf op bedevaart naar Compostela. Sus hertrouwde later met de dievegge Anastasia Kaky . Die zorgde voor de vuurlonten. Anastasia was een taai wijf en doorstond eerst de tortuur van tenenrek, duimschroeven en 'Spaanse' spanlaarzen. De strappade of de katrol waarmee de beul haar armen achterwaarts optrok deed Kaky uiteindelijk bekennen. Ze werd als medeplichtige gewurgd en geroosterd op de Grote Markt. Haar verminkte lijk hing later als afschrikking in een gaffel op de gerechtsplek van de abt, nu op de kruising van Tramstraat en Halmaalweg .
Hendrik Prijs gaf zijn roman Het Zwakke Verzet uit in 1942. Hij las daarvoor de originele processtukken door. Een proefje van de woorden die hij Suske in de mond legt: De groote winning stond, lijk de oogst in het veld, van de geweldige hitte der laatste dagen poederdroog en als te wachten op ons vonkje vuur. Met vieren hebben we het hem gelapt. De twee Walen, het Voorvelleke en ik. Petit bracht zijn melkmuil van een zoon mee. Ik keef hem verdacht aan, de kerel had een te eerlijk gezicht om betrouwbaar te zijn en bood te veel tegenstand. 'Hij kan een handje bijsteken', sprak het Voorvelleke, 'hij moet meer man worden'. 'Zijn wij geen mans genoeg, Voorvelleke?' 'Muil, dicht en aan 't werk!'
De rijke Lambert Keyenberg-Baltus had bij Bautershoven-Bernissem tussen de twee oorlogen een eigen vliegveld en liet naar verluidt de boodschap op hout uit 1784 vastleggen in de huidige steen aan de wegkant.