Naast X de heks woonde een vrouwtje dat de eieren van haar kip nergens kon vinden. Iedereen vermoedde wel dat de kip haar eieren op de zolder van de heks legde, maar iedereen was bang van X. Op een dag kwam de zoon van het vrouwtje thuis met de boodschap dat hij X boven op de berg had gezien. "Ga dan eens gauw kijken op de zolder van de heks", vroeg het vrouwtje aan haar zoon. De zoon deed het en vond inderdaad de eieren op X s zolder. Op het ogenblik dat de zoon de eieren wilde aanraken, weerklonk er een stem "Laat dat eens liggen, snotneus!" Het was enkel X' geest die had gesproken, want haar lichaam stond nog steeds boven op de berg. Pas enkele uren later heeft men X zien terugkeren van de berg.
Polieneke was een heks en daarnevens woonde een braaf vrouwke en die haar hen lei haar eieren verloren. Maar ze dachten wel dat ze op de zolder van Polieneke lei, maar ze hadden schrik van haar. En op een keer kwam het jongske thuis en hij zei dat hij Polieneke daar boven op de berg gezien had. 'Ga dan eens gauw zien naar die eieren op haar zolder' zei 't vrouwke. Maar toen hij zijn hand juist op de eieren wou leggen, zei Polieneke ineens 'Laat ze liggen snotneus.' Dat was haar geest en haar lichaam stond daarginder boven ontgeest, want een beetje daarna kwam ze eerst terug aan. Dat kunnen de heksen.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Wilderen
In het bekken van de Melsterbeek volgen de beken eerst zuid-noord het dalend reliëf van ca. 100 naar 35 meter boven zeespiegel. Net noordelijk van het stadscentrum van Sint-Truiden buigt de Melsterbeek zelf naar het noordwesten en ontvangt de Cicindria in Melveren en de Molenbeek in Runkelen. Ze loopt dan een tijdje zij-aan-zij met de Gete en vloeit samen bij Donk. Via Demer, Dijle en Rupel gaat het richting Schelde.

De naam ‘Melster’ komt waarschijnlijk van het woord malter of mout, maar in de lokale volksmond is het gewoon ‘molenbeek’ als grootste waterloop. Ze ontspringt in Heiselt bij Jeuk, vlakbij de taalgrens. Ze is 33 kilometer lang. Waterlopen schuren beekvalleien uit en de kleilagen onder de ijstijdleem in Vochtig Haspengouw doen talrijke bronnetjes dagzomen. Langs de oevers van de Melsterbeek groeide een ketting van dorpen met omgrachte kastelen en zelfs abdijen in Nonnemielen en Terbeek. Haar stroomkracht deed graanwatermolens draaien. In Sint-Truiden zijn dat de dorpen Aalst, Brustem, Ordingen, Zepperen, Melveren, Metsteren en Runkelen.

De beken kennen in deze streek een vrij hoog verval met piekdebieten. Voor de waterbeheersing waren wachtbekkens nodig, o.m. voor de Melsterbeek in Aalst, Ordingen en Bernissem. De natte gronden in de beekvalleien waren in de 19de-20ste eeuw met waterzuchtige Canadapopulieren beplant, nuttig voor klompen, minder duurzaam timmerwerk en kisthout.


Een vistelling in 2012 bij Metsteren leverde volgende soorten op: driedoorn stekelbaars, tiendoorn, riviergrondel, bermpje en blauwband. De molenwatervallen zijn wel een drempel voor hun migratie voor paai, rust en voedselgaring, onderzoek Stef Cools.
