Een boer had een koe gekocht, maar hij slaagde er niet in om de kalveren van het dier in leven te houden het ene kalf na het andere stierf. De zoon van de boer ging naar een tovenaar en vertelde daar wat er gebeurd was. Hij vertelde de tovenaar ook dat hij van plan was om op de markt een nieuwe koe te kopen. De tovenaar zei "Als je de koe van de markt naar huis brengt, let er dan op dat je geen vrouw tegenkomt, die zegt "O, wat een mooie koe!", en die het dier met haar hand aanraakt." Toen de zoon op de markt een nieuwe koe was gaan kopen, kwam hij inderdaad een vrouw tegen, die zei "O, wat een mooie koe!", maar hij zorgde ervoor dat ze het dier niet kon aanraken. De tovenaar had de zoon ook iets gegeven dat hij in de stal moest leggen om de heks tegen te houden.
Een man uit de geburen kocht thuis eens een kalf. Toen het groot was, konden die mensen maar geen kalf van die koe groot krijgen. Het een na het ander ging kapot. De zoon ging naar het heksenmenneke en deed hem de zaak uiteen en hij zei ook dat hij dacht op de markt een nieuwe koe te kopen. Toen zei 't Menneke 'Wel, let dan eens op als ge terugkomt of er u geen vrouw tegenkomt, die zegt O wat een schone koe, pas dan op dat ze haar vingers er niet aan steekt.' En schoon, 't kwam uit, een vrouw die nu nog niet lang dood is, kwam op hem af en zei 'O wat een schone koe', maar hij zorgde dat ze er met haar poten van bleef.'t Menneke had ook iets meegegeven om in de deur van de koestal te steken. 's Nachts moesten ze ook gaan zien, had hij gezegd. De heks had nu geen macht meer om binnen te geraken. Ze moest buiten blijven staan, het was dezelfde die ze tegen gekomen waren met de koe.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Zepperen
Clement Cartuyvels was de zoon van een zeepfabrikant op de Grote Markt en neefje van burgemeester Guillaume Vanvinckenroy . Hij droeg zelf de sjerp tussen 1899 en 1921. Op zijn CV lezen we: advocaat, bankier, provincieraadslid, gedeputeerde, vrederechter, gemeenteraadslid, volksvertegenwoordiger, senator, voorzitter Sint-Vincentiusgenootschap, derdeordeling en katholiek. Hij maakte de Belle Epoque in zijn stad mee: vernederlandsing van het bestuur, aanleg tramlijnen, riolering, waterleiding, bouw slachthuis, provinciale 'expositie' in 1907. Maar Clément moest ook de schok van de Duitse inval meemaken. Zijn zoon Paul, majoor van de Burgerwacht, verdween een jaar in Duitse kampen en hijzelf werd het laatste jaar van de oorlog uit zijn ambt ontheven. Clément woonde in de Capucijnenstraat in een herenhuis, later omgebouwd tot Sint-Annakliniek.

De bank Cartuyvels:

Clément stierf op zijn kasteeltje in Verlaine en kreeg, behalve een straatnaam (de vroegere Capucijnen- en Coemansstraat) in 1921, ook een marmeren borstbeeld. Toen zijn zoon notaris Paul Cartuyvels in 1927 zelf burgemeester werd, kreeg hij van zijn makkers oud-burgerwachten een ontwerptekening voor een borstbeeld van zijn papa cadeau. De ontwerper was niemand minder van Victor de Haen uit het Brusselse, die ook de wedstrijd had gewonnen voor het monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op Sint-Marten. Op kosten van het stadsbestuur werd de buste in marmer uitgevoerd en prijkte voortaan in het stadhuis. Momenteel in erfgoeddepot bij de Zusters Ursulinen. Vermits het beeld postuum werd getekend, herken je duidelijk de pose op het bidprentje van Clément Cartuyvels. Op zijn linkerschouder liet de beeldhouwer van het witte marmer zijn naam in sierlijke letters na.
