Een zieke man ging 's nachts zo wild tekeer dat men hem niet in het bed kon houden. De familieleden van de man kregen de raad om X die in het ziekenhuis werkte, te laten komen. X kwam naar de zieke met een koord waaraan een sleutel hing. Wanneer hij de koord boven de zieke man hield, begon de sleutel te draaien. X leidde daaruit af dat de man in de macht was van een duistere kracht. X raadde de familieleden aan om de volgende nacht een mes op het hart van de man te houden. Zo gezegd, zo gedaan. Toen de klok twaalf uur sloeg, weerklonk er een luide slag, waarbij alle deuren in één ruk openvlogen en waarbij de zieke man tot tegen het plafond werd getild. Daarna is er niets meer gebeurd.
Een van mijn broers was ziek en 's nachts konden we hem niet in 't bed houden, zo ging die te werk. Ze zegden ons 'Ge moet eens naar Suske van 't hospitaal gaan, dat is ene die van alles weet'. En Suske kwam en toen had hij een koord en daar hing een sleutel aan die draaide. 'Ze hebben het jongske vast, ik zal ze doen inkomen die 't manneke vastheeft', zei Suske. Ik pakte 't broodmes op van 'colère' maar toen zei Suske 'Nu doe ik ze niet komen, maar weet ge wat, de volgende nacht moet ge een mes met de steel op 't hart van 't jongske houden.' En ik en een kameraad zaten toen aan weerskanten van 't bed en zo hadden we het mes vast. Gelijk 12 uur sloeg, kwam me daar een slag gelijk de donder, en alle deuren die gesloten waren, vlogen open en 't jongske vloog tot tegen het plafond. Daarna is daar niets meer gebeurd. Er leven nog veel mensen die dat gehoord hebben en die kunnen getuigen dat ik u niets wijsmaak.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Sint-Truiden
Clement Cartuyvels was de zoon van een zeepfabrikant op de Grote Markt en neefje van burgemeester Guillaume Vanvinckenroy . Hij droeg zelf de sjerp tussen 1899 en 1921. Op zijn CV lezen we: advocaat, bankier, provincieraadslid, gedeputeerde, vrederechter, gemeenteraadslid, volksvertegenwoordiger, senator, voorzitter Sint-Vincentiusgenootschap, derdeordeling en katholiek. Hij maakte de Belle Epoque in zijn stad mee: vernederlandsing van het bestuur, aanleg tramlijnen, riolering, waterleiding, bouw slachthuis, provinciale 'expositie' in 1907. Maar Clément moest ook de schok van de Duitse inval meemaken. Zijn zoon Paul, majoor van de Burgerwacht, verdween een jaar in Duitse kampen en hijzelf werd het laatste jaar van de oorlog uit zijn ambt ontheven. Clément woonde in de Capucijnenstraat in een herenhuis, later omgebouwd tot Sint-Annakliniek.

De bank Cartuyvels:

Clément stierf op zijn kasteeltje in Verlaine en kreeg, behalve een straatnaam (de vroegere Capucijnen- en Coemansstraat) in 1921, ook een marmeren borstbeeld. Toen zijn zoon notaris Paul Cartuyvels in 1927 zelf burgemeester werd, kreeg hij van zijn makkers oud-burgerwachten een ontwerptekening voor een borstbeeld van zijn papa cadeau. De ontwerper was niemand minder van Victor de Haen uit het Brusselse, die ook de wedstrijd had gewonnen voor het monument voor de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog op Sint-Marten. Op kosten van het stadsbestuur werd de buste in marmer uitgevoerd en prijkte voortaan in het stadhuis. Momenteel in erfgoeddepot bij de Zusters Ursulinen. Vermits het beeld postuum werd getekend, herken je duidelijk de pose op het bidprentje van Clément Cartuyvels. Op zijn linkerschouder liet de beeldhouwer van het witte marmer zijn naam in sierlijke letters na.
