Spoken wijzen schatten aan

Spoken wijzen schatten aan

In het kasteel van de Osseweg spookte het, en daarom stond het leeg. Wie het spook kon verlossen, kreeg het kasteel als beloning. Een zekere X van een hoeve, wilde het kasteel kost wat kost voor zich winnen. Hij vroeg aan zijn meester of hij meeging, maar die durfde niet. Aangekomen in het kasteel, begon de knecht koeken te bakken van het meel dat hij van zijn meester had gekregen. Toen om middernacht een geraamte zonder kop en zonder ledematen door de schoorsteen viel, zei Rekem "Spijtig dat je geen hoofd hebt; anders had je me gezelschap kunnen houden." X zette het geraamte in een hoek en ging door met het bakken van de koeken. Even later vielen de armen en de benen van het spook uit de schoorsteen. Toen ook de schedel uit de schoorsteen viel, vroeg X "Eet je geen koek mee?", waarop het spook het hoofd schudde en zei "Eerst moet je naar de kelder gaan; daar staat een kist met geld." X antwoordde "Ga dan maar zelf; als jij het geld gaat halen, dan is het voor jou. Het geld is daar verborgen in de naam van de Rode Geit." En omdat er geen rode geiten bestonden, vervolgde X "In de winkel hier verderop, verkoopt men rode stof. Als ik die stof over een geit hang, dan is het de Rode Geit." Het spook was bang dat X ondertussen weg zou gaan en zei "Je mag hier niet weggaan vooraleer ik verlost ben." X ging een stuk stof kopen, hing die over een geit en sprak tot het spook "Ga nu maar met de geit. Het spook trok naar de kelder met het dier. Reeds op de derde trede riep het spook om hulp, maar X dacht "Als ik help, dan ga ik eraan." Na een tijdje verscheen het bezwete spook met de kist. Het spook sprak "De helft is voor jou en de andere helft is voor de gelovige zielen." Daarna was het spook verlost en X had het kasteel verdiend.

Het kasteel achter de Osseweg stond al lang leeg want daar spookte het. En dat kasteel was te verdienen. Als iemand het spook kon verlossen, dan kreeg hij het kasteel maar het goed niet. Ene van de 'winning', Rekom heette hij, die zei 'Ik ga het verdienen, gaat ge mee?' Maar zijn meester dorst niet en hij gaf zijn knecht een zak meel mee. Hij stak daar een vuur aan en van het meel begon hij koeken te bakken, die at hij zo gaarne. En te twaalf uur viel daar een geraamte zonder kop en zonder armen of benen door de schouw. ''t Is al goed, zei Rekom, maar 't is jammer dat ge geen kop hebt, dan kondt ge me gezelschap houden' en hij zette het geraamte in een hoek. Hij bakte voort en toen vielen daar de benen af en nog wat daarna de armen, en hij gooide dat ook in de hoek. 'Als ge nu nog een kop hadt, dan waart ge mijn kameraad', zei hij, die had geen schrik. Toen viel de kop ook af en toen vroeg Rekom 'Eet ge gene koek mee?' maar het spook schudde neen. 'Als ge niet eet, moet ge maar gaan en mijn niet 'ambeteren' komen' zei Rekom. Toen zei het spook 'Ja, maar eerst moet ge in de kelder gaan, daar staat een kist met geld.' - 'Ga dan maar zelf.' - 'Als ge het uithaalt, is het voor u, dat geld is weggezet in naam van de Rooi Geit.' Maar rooie geiten zijn er niet, dan is het ook nooit te krijgen, maar die daar koeken bakte was een slimme en die zei 'Er is hier een winkel en daar ga ik een stuk rode stof halen en dat hangen we op een geit dan is het de Rooi Geit. 'Ge moogt niet gaan eer ik verlost ben' zei het spook want het had schrik dat Rekom niet zou terugkomen. En hij ging naar de winkel en daar kocht hij een stuk rode stof en toen haalde hij een geit en die had hij helemaal behangen met die stof van boven tot onder en alleen de ogen waren open. Zo bracht hij de geit naar het kasteel maar hij moest ze dragen, want ze kon niet meer gaan met die stof. 'Ga nu maar met de geit' zei hij en hij wilde niet voorop gaan, spoken moet ge hun werk zelf laten doen. En die ging de trap af met de geit, maar op de derde trap riep hij al op hulp, maar Rekom dacht 'Als ik help dan ben ik kapot.' En het geraamte sukkelde door maar 't zuchtte en 't zweette. De kist kon hij daar maar uitkrijgen als de geit eraan raakte en zo kwamen ze op 't laatste boven en 't water stond op zijn gezicht. Toen zei het spook 'De helft is voor u en de andere helft is voor de gelovige zielen, daarvan moet ge missen laten doen.' Toen was die verlost en Rekom had het kasteel verdiend.

Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

De legende van de "Kommeduur"

De Franse bezetter had vanaf 1795 alle kerkelijke bezittingen vogelvrij verklaard. De openbare verkoop ervan lokte ondernemers aan. Zo werd de commanderij Bernissem van de Duitse ridderorde opgekocht door de Sely-Longchamp en schoonzoon Hyacinthe de Chestret startte er in 1839 een bietsuikerfabriek. In 1880 was er een zware brand en agronoom Jules Cartuyvels herbouwde de fabriek, die tot in 1913 bleef werken. 

In de volksmond bleef de herinnering aan de brand bewaard, geromantiseerd voor het stedelijk infoblad 'Hier en Nu' in de jaren 1965-1976 door landbouwleraar en stadssecretaris Georges Vandenborne, die afkomstig was van Bernissem. De 'Commeduur' zou later door hem nog opgevist worden in de carnavalsorde 'van de Commeduur' en in de 'Commanderie' van de fruitteeltlobby. Roger Collart bundelde diverse verhalen van Vandenborne in zijn cursus volksverhalen en legendes. 


“Uchtern” zuchtte de totaal versleten vrouw gelaten, “dat wordt niet meer gedaan. De mensen hebben geen tijd meer om avond aan avond gedurende de lange wintermaanden dicht bijeen rond het haardvuur te kruipen. De televisie heeft de legendes verjaagd. Vroeger, toen ik jong was, vertelde mijn grootmoeder nog al die oude verhalen. Eerst verplichtte ze iedereen geduldig in de vlammen te staren, wel een uur lang. Er werd weinig gesproken. De mannen gaven de brandewijn door. De vrouwen naaiden tevreden omdat het klein grut weer voor een paar uren verzadigd was aan aardappelen met melksaus. Vroeger…” Haar blik richtte zich weer op de vlammen, als zocht ze daarin het antwoord op die onbegrijpelijke beschaafde, kille 20ste eeuwse wereld, en dat antwoord kwam… We tuurden nu allemaal in de vlammen, we wilden zien wat de oude vrouw zag…

“Kent ge de hoeve van Bernissem”? Ze zweeg even maar niemand onderbrak haar. We zochten het antwoord van die kronkelende slangen. “Jaren geleden kon je de hoeve al van ver zien liggen als je in de richting van Terbiest wandelde. De hoge bomen piekten als een beschermende haag rond de hoeve, maar dat belette niet dat hier en daar vlekjes verweerd baksteen tussen de takken glinsterden. Ze had er altijd al gestaan zolang als ik leefde, zo langs als mijn grootmoeder leefde. We wisten wel dat de Tempeliers er eeuwen en eeuwen geleden hun “kommeduur” strenge gehoorzaamheid verschuldigd waren. Bernissem was een kommanderij van de Teutoonse ridderorde, een van de vele. En de kommeduur, de “comthur” noemden de ridders hem, was geliefd bij zijn mensen en bij de bevolking. De jaren regen zich aaneen tot een snoer van rustige eeuwen en toen gebeurde het…” Eén vlam spetterde plots hoog op, het hout knetterde en wierp gensters de kamer in. Gefascineerd bleven we de vlammen fixeren.

“De Fransen kwamen”. Even keek de oude vrouw op. “Er zijn er velen geweest, maar toen mijn grootmoeder nog een jonge stevige vrouw was (ze moet toen vijftien of zestien jaar geweest zijn) waren de Fransen in het land. Napoleon wierp heel Europa aan zijn voeten. Het ene decreet na het andere ontnam onze mensen hun vrijheden. Ook de Truiense ridderorde werd ontbonden. Bernissem werd een suikerfabriek. De boeren uit de omgeving meden haar zoveel mogelijk want Bernissem stierf voor hun ogen”.

De oude vrouw leek voor onze ogen in elkaar te schrompelen. “De fabriekslui zorgden niet voor het landgoed. Bernissem werd niet met liefde behandeld. Voor hen was de hoeve slechts een opeenhoping van bakstenen en pannen, toevallig bruikbaar als fabriek. Zo een houding vroeg om ongelukken. Toen mijn grootmoeder zowat twintig jaar was, sloeg de brandklok op zekere nacht alarm. In hun lange onderbroeken holden de mannen naar de plaats van het onheil: van ver zag je het vuur al boven de bomen uitslaan. Bernissem werd door de vlammen verwoest. Ook de vrouwen renden naar de hoeve toe en de kinderen sukkelden er achter aan. Met emmers, kommen, ketels en pannen werd gezeuld om te redden wat er te redden viel. Te laat echter… het ogenblik kwam dat de toegeschotenen het moesten opgeven, machteloos stonden ze daar toe te kijken hoe de eeuwenoude hoeve onder hun ogen tot puin verviel, tot plotseling… een bloedrood waas zich verspreidde op de plaats waar voorheen de kapel stond. Er ging een rilling door het publiek maar toch bleven ze aan de grond genageld staan. Voor hun ogen ontplooide het bloedrode waas zich tot een prachtig misgewaad en boven het misgewaad verschenen heel vaag het hoofd en de gelaatstrekken van de laatste kommeduur. Toen zagen ze ook zijn handen, twee lijkwitte handen in een zegenend gebaar boven een kelk gestrekt. De kommeduur las de mis ! De kommeduur nam wraak!

De baldadigheid van Napoleon was eindelijk gewroken! Vol eerbied volgden de omstaanders de plechtigheid. Toen het vuur in de ruïne uitdoofde, verlieten ze in alle stilte de plaats van het onheil. De kommeduur kon voor eeuwig rusten…”



Lees: Roger COLLART, Volksverhalen en legenden, cursus toeristische gids, Sint-Truiden: stadsbestuur, 1992; Veerle JACOBS, Bietsuiker. Het 19de-eeuwse Haspengoud, in Sint-Truiden ingekaderd 1830-1914. Tentoonstellingen Sint-Trudofeesten 1998, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300 vzw., 1993, p. 160-167, met catalogusnotities door Willem DRIESEN, p. 167-174.