In het torenhuisje van het begijnhof van Aelsteren vindt men een blauwe steen met daarop het wapenschild van de familie van Aelsteren. De dochter van de familie van Aelsteren had een relatie met een adellijke heer uit Loon. Toen juffrouw van Aelsteren lange tijd niets meer had gehoord van haar geliefde, vreesde ze dat hij was gesneuveld in de oorlog. Het meisje was zo bedroefd dat ze op het begijnhof ging wonen om net zoals de andere begijntjes een sober leven te leiden. Op een dag kwam de heer echter terug en hij vroeg zijn geliefde om het begijnhof te verlaten en met hem de wereld in te trekken. Juffrouw van Aelsteren wilde wel op zijn voorstel ingaan, maar durfde het begijnhof niet bij klaarlichte dag te verlaten. Daarom spraken ze af dat de heer zijn geliefde 's nachts te paard zou komen halen. Toen dat uur echter was aangebroken en juffrouw van Aelsteren in het holst van de nacht het begijnhof verliet, gebeurde er iets verschrikkelijks. Alle graven van het kerkhof gingen open en de dode begijnen smeekten het meisje om in het begijnhof te blijven. Verschrikt door dit tafereel, liet de heer zijn geliefde in het begijnhof blijven. Zelf trad hij toe tot een streng klooster.
Mijn tante zaliger heeft me dikwijls een schoon verhaal verteld van het Begijnke van Aelsteren. Ge kent het begijnhof hier, daar staat een torenhuiske en in de muur daarvan kunt ge nog een blauwe steen zien met het wapenschild van de familie van Aelsteren. Dat was rijk volk, van adel, en daar was een dochter en die had kennis met een heer van de kanten van Loon, ook van adel. In die tijd was er dikwijls oorlog en dan trokken die heren daarheen en dikwijls van de ene oorlog naar de andere en dan hoorden ze lang niets meer van hen. Zo had die juffrouw van Aelsteren al lang gewacht, maar hij kwam maar niet terug en ze meende dat hij dood was. Ze was zo droef dat ze geen andere meer wou en ze werd begijnke hier op het begijnhof en daar leefde ze heel simpel gelijk de andere vrouwkens. Maar op een schone dag kwam die heer toch terug en toen hij hoorde dat zij begijnke geworden was, ging hij haar direct opzoeken en hij vroeg haar terug in de wereld te komen en met hem te trouwen. Het begijnke zag hem nog altijd even gaarne maar ze was ook heel christelijk en ze dorst toch maar zo niet bij klaarlichte dag weggaan. Maar ze kon het toch niet uithouden op het begijnhof en ze was toch zo gelukkig dat ze hem weerzag en toen zei ze dat als 's avonds de begijnen allemaal sliepen, zij haar pakske zou maken en dan moest hij maar gereed staan om haar mee te nemen. En toen 't donker was, stond hij daar aan 't kerkhof op haar te wachten. Toen kwam het begijnke uit en ze maakten 'hen' gereed om te vertrekken, maar toen gebeurde daar iets verschrikkelijks. Op het kerkhof gingen de graven open en daar kwamen al die begijnkes die daar begraven lagen, uit hun graf. Daar waren geraamten bij en ook die nog niet lang dood waren en nog maar half vergaan, en al die begijnen staken hun armen uit en ze smeekten het begijnke van Aelsteren te blijven. Toen waren ze verschrikt en ze dachten niet meer aan hun liefde en toen zei de man' Ik zie wat ik zie' en toen ging hij weg en hij ging naar een heel streng klooster en het begijnke ging ook terug. Ik heb een oude man horen vertellen dat het begijnke dood viel en dat de man gek werd, toen ze dat daar zagen. Daar is ook een schilderij waar dat zo op staat. Maar zo was het niet , zei mijn tante zaliger, dat was toch te wreed.
Opgetekend door F. Beckers, Leuven, 1947 in Sint-Truiden
De Franse bezetter had vanaf 1795 alle kerkelijke bezittingen vogelvrij verklaard. De openbare verkoop ervan lokte ondernemers aan. Zo werd de commanderij Bernissem van de Duitse ridderorde opgekocht door de Sely-Longchamp en schoonzoon Hyacinthe de Chestret startte er in 1839 een bietsuikerfabriek. In 1880 was er een zware brand en agronoom Jules Cartuyvels herbouwde de fabriek, die tot in 1913 bleef werken.
In de volksmond bleef de herinnering aan de brand bewaard, geromantiseerd voor het stedelijk infoblad 'Hier en Nu' in de jaren 1965-1976 door landbouwleraar en stadssecretaris Georges Vandenborne, die afkomstig was van Bernissem. De 'Commeduur' zou later door hem nog opgevist worden in de carnavalsorde 'van de Commeduur' en in de 'Commanderie' van de fruitteeltlobby. Roger Collart bundelde diverse verhalen van Vandenborne in zijn cursus volksverhalen en legendes.
“Uchtern” zuchtte de totaal versleten vrouw gelaten, “dat wordt niet meer gedaan. De mensen hebben geen tijd meer om avond aan avond gedurende de lange wintermaanden dicht bijeen rond het haardvuur te kruipen. De televisie heeft de legendes verjaagd. Vroeger, toen ik jong was, vertelde mijn grootmoeder nog al die oude verhalen. Eerst verplichtte ze iedereen geduldig in de vlammen te staren, wel een uur lang. Er werd weinig gesproken. De mannen gaven de brandewijn door. De vrouwen naaiden tevreden omdat het klein grut weer voor een paar uren verzadigd was aan aardappelen met melksaus. Vroeger…” Haar blik richtte zich weer op de vlammen, als zocht ze daarin het antwoord op die onbegrijpelijke beschaafde, kille 20ste eeuwse wereld, en dat antwoord kwam… We tuurden nu allemaal in de vlammen, we wilden zien wat de oude vrouw zag…
“Kent ge de hoeve van Bernissem”? Ze zweeg even maar niemand onderbrak haar. We zochten het antwoord van die kronkelende slangen. “Jaren geleden kon je de hoeve al van ver zien liggen als je in de richting van Terbiest wandelde. De hoge bomen piekten als een beschermende haag rond de hoeve, maar dat belette niet dat hier en daar vlekjes verweerd baksteen tussen de takken glinsterden. Ze had er altijd al gestaan zolang als ik leefde, zo langs als mijn grootmoeder leefde. We wisten wel dat de Tempeliers er eeuwen en eeuwen geleden hun “kommeduur” strenge gehoorzaamheid verschuldigd waren. Bernissem was een kommanderij van de Teutoonse ridderorde, een van de vele. En de kommeduur, de “comthur” noemden de ridders hem, was geliefd bij zijn mensen en bij de bevolking. De jaren regen zich aaneen tot een snoer van rustige eeuwen en toen gebeurde het…” Eén vlam spetterde plots hoog op, het hout knetterde en wierp gensters de kamer in. Gefascineerd bleven we de vlammen fixeren.
“De Fransen kwamen”. Even keek de oude vrouw op. “Er zijn er velen geweest, maar toen mijn grootmoeder nog een jonge stevige vrouw was (ze moet toen vijftien of zestien jaar geweest zijn) waren de Fransen in het land. Napoleon wierp heel Europa aan zijn voeten. Het ene decreet na het andere ontnam onze mensen hun vrijheden. Ook de Truiense ridderorde werd ontbonden. Bernissem werd een suikerfabriek. De boeren uit de omgeving meden haar zoveel mogelijk want Bernissem stierf voor hun ogen”.
De oude vrouw leek voor onze ogen in elkaar te schrompelen. “De fabriekslui zorgden niet voor het landgoed. Bernissem werd niet met liefde behandeld. Voor hen was de hoeve slechts een opeenhoping van bakstenen en pannen, toevallig bruikbaar als fabriek. Zo een houding vroeg om ongelukken. Toen mijn grootmoeder zowat twintig jaar was, sloeg de brandklok op zekere nacht alarm. In hun lange onderbroeken holden de mannen naar de plaats van het onheil: van ver zag je het vuur al boven de bomen uitslaan. Bernissem werd door de vlammen verwoest. Ook de vrouwen renden naar de hoeve toe en de kinderen sukkelden er achter aan. Met emmers, kommen, ketels en pannen werd gezeuld om te redden wat er te redden viel. Te laat echter… het ogenblik kwam dat de toegeschotenen het moesten opgeven, machteloos stonden ze daar toe te kijken hoe de eeuwenoude hoeve onder hun ogen tot puin verviel, tot plotseling… een bloedrood waas zich verspreidde op de plaats waar voorheen de kapel stond. Er ging een rilling door het publiek maar toch bleven ze aan de grond genageld staan. Voor hun ogen ontplooide het bloedrode waas zich tot een prachtig misgewaad en boven het misgewaad verschenen heel vaag het hoofd en de gelaatstrekken van de laatste kommeduur. Toen zagen ze ook zijn handen, twee lijkwitte handen in een zegenend gebaar boven een kelk gestrekt. De kommeduur las de mis ! De kommeduur nam wraak!
De baldadigheid van Napoleon was eindelijk gewroken! Vol eerbied volgden de omstaanders de plechtigheid. Toen het vuur in de ruïne uitdoofde, verlieten ze in alle stilte de plaats van het onheil. De kommeduur kon voor eeuwig rusten…”