Zwarte hond

Zwarte hond

Een man die terugkwam van de jacht, werd gevolgd door een zwarte hond met een ketting. Op een dag besloot de echtgenote van de man hem bij het kasteel van Schorrebos tegemoet te komen. Zodra de hond zijn tanden liet zien, maakte de man aanstalten om het dier te slaan. Toen de man door de hond werd besprongen, zei hij "Als je niet weggaat, dan sla ik je dood!" De hond verdween en is nooit meer teruggekomen.

mene pâ ging op jacht; en hem kam thös med e drupke; en as hem nor hös kam, liep altêd ne zwetten hond achter hem mêd een ketting; en hem vertelde da ôn me moeder; en di zei "Ik zal meigôn." En di van Metstere wôren oek bang; en ne kie ging me moeder hem teige on ’t kastiel van Schorrebos; en dien hond liep achter mene pâ; en me moeder wilden hem ôngôn, mo hem liet z’n tân zien; en me vôder wilden hem slôn en dan sproeng hem op me vôder. "As ge ni weggôt, zal ich oech doeudslôn", zei me vôder; dan liep den hond weg en kam noeut mie trug.

Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be