Ik ben een boer van Haspengouw,
die leeft van eigen akkerbouw;
die tarwe en gerst, in overvloed,
ziet gulden in den zonnegloed.
Mijn land, mijn land, mijn kleien land
heb ik mijn’ tijd en vlijt verpand.
Hier lukt de zoete suikerbeet
in vette klei, bevrucht door ’t zweet;
hier bloost des appels gladde wang
en klinkt der koemeid blijgezang;
Mijn liefste kleiig Haspengouw,
ik min u, vruchtbaar gouwlandouw.
Wanneer de zondag ’t dorpken tooit,
dan krijg ik ’t kielken net geplooid,
dan smeer ik mijnen mispelaar
en trek naar stad met fijn sigaar…
Maar toch, mijn woon, mijn kleien woon,
ik vind ze lief en groot en schoon.
Sittard 28.10.1912 – Maastricht 25.02.2000
Broer van de priesters Jan en Emile. Klein Seminarie, ondervoorzitter Utile Dulci 1932. Kortverhalen onder pseud. ‘Henk van Dijk’. Priester 1937. Kapelaan Membach 1937, administrator Kelmis (La Calamine) 1943 en kapelaan Welkenraedt 1944. Pastoor Bois 1949, Gelinden 1953 en Smeermaas 1966-1977. Overleden aan brandwonden bejaardenhuis Jekerdal Maastricht. Streekgeschiedenis in Limburgse tijdschriften en dagblad.
Biografische notities in NBIOW. Lid Société d’art et d’histoire du diocèse de Liège en Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis. Voorzitter Geschied- en Oudheidkundige Kring GOSSU Lanaken 1972-1977. Prijs Gemeentekrediet van België.
Als pastoor van Gelinden bezorgde hij dit dorp een hele reeks historische bijdragen en trok de aandacht op de lokale mergelontsluiting met zijn unieke fossielen.