Kwade hand a) Volwassenen

Kwade hand a) Volwassenen

Een man uit Sint-Truiden die een kwaal aan zijn keel had, ging vaak bidden bij het beeld van de Heilige Marcoen in de Monnebrurenkerk. Op een dag zag de man dat hij tot in de kerk werd gevolgd door een heks. Daarop ranselde de man de heks eens flink af. In de rechtbank kreeg de man ongelijk, maar hij was wel van zijn kwaal verlost.

Bet Lahoe van aan de Warande was een heks met geschiedenis. Een man had van St. Marcoen aan z’n keel; voor z’n genezing ging hij vaak bidden voor het beeld van deze heilige in de Monne brurekerk; hij geraakte maar niet af van z’n kwaal tot hij op zekere dag zag dat Bet Lahoe hem tot in de kerk volgde; dat gebeurde daarna nog verschillende keren tot hij opeens Bet ferm afranselde; voor de rechtbank kreeg hij ongelijk maar hij was van z’n ziekte verlost.

Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be