Kwade hand b) Kinderen

Kwade hand b) Kinderen

Tussen middernacht en één uur kon begon een meisje altijd te huilen en te roepen "Mama, ik zie ze!" Elke dag kwam er een oud vrouwtje met een hazelip op bezoek om wat melk te vragen. Op aanraden van dat vrouwtje sneed men het hoofdkussen van het kind open. Daar vond men een kippenpoot die was gemaakt van veren, paardenhaar en gouddraad. In het kussen van de zieke moeder van het kind vond men het begin van een krans. Nadat men van de bruine paters een heiligdom had gekregen om onder de deur te steken, kon de heks niet meer binnen. De moeder bad een noveen en op de negende dag stak ze kaarsen aan en besprenkelde het hele huis met wijwater. Uiteindelijk is de moeder verhuisd. Telkens wanneer het meisje 'X den duvel' zag, liep ze weg voor de heks.

ik was 12 jôr; nô ne verhös kon m’n nicht, Melanie, nemie slôpe ’s nachs; ze grein altêd tusse 12 en 1 oer; en huir lichôm verging, veral huiren bök; en ze zei dan "Mam, ik zien ze"; en iens hâ een â vrâ tante Fin was melk gevrôgd; en elke dag kam ze trug; en Fin hâ da verteld ôn een vrâ di nen hôzemond hâ; en di zei da Fin het kusse moes oupe doen want z’hâ plöme kusses; en di plömen hâ Fin zelf dôrin gedôn; en tusse de plöme voenge ze peerdenhôr; in de midde was er een kikespoeut gemôkt mê plöme, hôr en gouden drôd; en Fin was oek ziek; in huir kusse voenge ze het begin van een cornet; di vrâ verbrandden alles; en plots huurde men ene geweldige slag op de zolder; ze ginge no de brön pôters en di gaven huir nen hêligendom om onder de duir te steken; en di heks kam nemie trug; Fin dei een nevein en de 9ste dag deid ze al de boegis branne; dan begout ze het hös mê wêwôter; en wa lôter is ze verhösd; en di heks kam nemie mo iedere kier as Melanie ze zag, liep ze weg. En di heks heite Marike den duvel; in di woenden in de Paddegracht, bê het Vissegat; en dô woenden oek di vrâ mê den hôzemond di van de plöme wist.

Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

De trap des aanstoots

De Luikse architect Etienne Fayn slaagde erin om een mooi stadhuis in Luikse classicisme te ontwerpen rond de oude halle en de belforttoren. De stadsmagistraat betrok zijn nieuwe symmetrische bouw in juli 1759 onder begeleiding van drie kanonsalvo's. De interieurafwerking, vooral door de modieuze Luikse vakmensen, moest toen nog beginnen.
Maar... die saaie horizontale kroonlijst wou de stad als bouwheer toch verbeteren. Kijkend naar Brabant en Antwerpen liet ze in 1766 zwierige frontons met klokgevel, curven en tegencurven plaatsen aan de hoofdgevel. Pater minderbroeder Johannes Bolgrez bracht een plan mee uit Antwerpen. Ook kwam er een dubbele puitrap naar de verdieping, om de begane grond te kunnen verhuren. Enkele jaren later verdween deze blijkbaar té bombastische ingreep terug. 

Eigentijds kroniekschrijver Debruyn is genadeloos voor zoveel pretentie en tekent - met veel lekenfantasie - dit on-Luikse gedrocht. Hij schrijft ook hoe men half juni 1766 bouwt aan "eene nieuwe blauw steene balcon, ende het frontispicium wierd verciert met nieuwe crollen, oock met eenen nieuwen noijt in dese landen geinventeerde blauw steenen trap dienende tot spot der borgers ende vreemdelingen hier passerende om het onnodigh ende verquist geldt". 

Van deze verbeteringsoperatie getuigt nog een jaartalsteen met stadswapen boven het balkon. 






Lees: Christine VANTHILLO, Het stadhuis van Sint-Truiden, van binnen uit bekeken, in Sint-Truiden in de 18de eeuw, tentoonstellingscataloog, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300 vzw., 1993, p. 109-117; Fernand DUCHATEAU, Het boek van Debruyn. Een kroniek van de achttiende eeuw in Sint-Truiden, in idem, p. 168 en 209-267 en Sint-Truiden 1693-1793, in idem, p. 7-26; Het stadhuis van Sint-Truiden. Hart van de democratie, Sint-Truiden: stadsbestuur, 2018, p. 131-133.