Kwade hand

Kwade hand

Een vrouw die altijd ongeluk had met haar dieren, ging een pater opzoeken. "Het bestaat en het bestaat niet", zei de geestelijke. De vrouw kreeg een medaille die ze samen met het kruisje van haar Heilige Communie in een kistje moest begraven. De persoon die als eerste op bezoek zou komen en zijn hand op de deurklink zou leggen, was de schuldige. De eerste man die bij de vrouw aanklopte, kon niet voorbij de deur.

dê was een vrouw, di hâ altêd teigeslag mê huir bieste; en ne pôter zei "Het bestu en het bestu ni"; en hem gaf huir e medolleke en hem zei da ze da mê huir kröske van huir hêlige communi in e kiske onder de grond moes steke; en di thös zou koume en d’hând op de klink zou zette, was de schuld; en dô kam iene, en hem dui da, en hem kon ni verder.

Opgetekend door A. Abeels, Leuven, 1965 in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

De Alvermannekes

De Alvermannekes

Te Engelmanshoven  heeft mijn mam de pijp gezien waar de alvermannekens uitkwamen. Die hadden in de grond kasten en tafels van aarde. En als ge moest wassen of bakken, dan moest ge maar een goeie koek gereed leggen en zeggen:

'Ik wou dat de alvermannekens kwamen bakken',

dan kwamen ze uw werk doen. '

Ik heb eens horen vertellen van een vrouw die zonder 'maagd' zat en die wenste dat de alvermannekens kwamen.

'Ik zal een teil rijstpap voor hen maken' zei ze.


Maar toen kwamen ze daar altijd en ze waren daar zo thuis dat ze in de keuken kwamen. En toen daar een nieuwe 'maagd' was, vielen ze die altijd lastig en die was kwaad. Toen zei de vrouw dat tegen een overste van de alvermannekens.

'Weet ge wat ge doet, zei die, het is een 'mottig' middel, als ze nog eens komen, dan geeft ge haar een snee brood en dan moet ze gaan zitten en kuimen of ze moet pissen en kakken.'

Met acht man kwamen ze binnen en toen deed die dat en toen ze dat zagen, riepen ze allemaal gelijk:

'Haaaa, foei, eten, bijten, schijten, zijken gelijk, haaaa, foei!' 

en toen liepen ze weg, terwijl ze hun neus toehielden en ze zijn niet meer teruggekomen.

Opgetekend door F. Beckers in 1948

 Bron: volksverhalenbank.be