De processie kwam altijd voor bij de boerderij van een familie uit Rotem omdat op die plaats ooit een vreemd voorval had plaatsgevonden. Op een dag lag er een zwarte kat met gloeiende ogen op de grond, die maar niet wilde weggaan.
Biej Spitz op de boerderiej in Ruotem dao ging de processie langs omdat dao ’n kat geliègen hauw. En die hauwe ze willen eweg jage, die hauw gleuiende ouge, zjus wie vuurböl, en die ging neet eweg. En wie de kat wegging lepe de hiel luj eweg. En vandao dat de processie dao altied duorkump. Now zal dat wal aafgesjaf zien.
Opgetekend door J. Venken, Leuven, 1968 in Sint-Truiden
De Zondag-middag is héél ingetogen.
De luchten, klaar van winterkilte, beven
met teeder rood van lage zon doorweven;
de luchten, waar geen vogel komt gevlogen...
De middagrust mag gééne stoornis doogen.
Al wil somwijlen vluchtig óverzweven
een verre galm van joelend kinderleven :
dra weegt de klare rust weer onbewogen.
Is het in sneeuw – die dezen nacht zoo zacht
de stille stede zwachtelde in heur vacht –
dat doezel-vaag verdooven nu geluiden?
O vrome middagvrede van Sint-Truiden,
dat om te ontwaken uit zijn sluimer, wacht
tot plotse kloosterklokken vespers luiden !

