Een jongen als misdienaar

Een jongen als misdienaar

In het 'Hooghuis' woonde een bokkenrijder die misdienaar was en altijd zowel vóór als na de mis een kruisweg deed. Toen de jongen op één van zijn rooftochten werd opgepakt, belandde hij in de gevangenis. De pastoor kwam hem opzoeken en zei "Dat had ik toch niet van jou gedacht", waarop de jongen antwoordde "Je hebt er al begraven die nog veel slechter waren dan ik!"

In het "Hoeghoes" dao haet eine bokkeriejer in gewoend. Dat waas Hermke de Snieder. Hiej kaam de pestoer riègelmaotig en Hermke dae gaeng altied de mès dene, nao het lof en vuer het lof deeg er gewoenlik nog ene kruuswièg, en nao de mès deeg er ouch nog eine, dat ederein good kosj zeen dat er katheliek waas. Wie er gevange waor ging hem de pestoer in Mezeik bezeuke. "Dat hauw ich toch neet van dich gedach" zag de pestoer. Dow zag Hermke "Ja, de höbster al begrave die nog väöl slechter wuoren as ich".

Opgetekend door J. Venken, Leuven, 1968 in Sint-Truiden

ONTDEKKING VAN DE DAG

Een weerwolf in Melveren

Een weerwolf in Melveren

In Melveren , een gehucht van Sint-Truiden, woonde een zekere X. Op zekere dag ging X met zijn vriendin naar de kermis in Kortenbos. Deze man had echter een pact gesloten met de duivel, wat betekende dat hij regelmatig enkele uren als weerwolf moest rondlopen. Omdat X op de kermis plots voelde dat dat moment was aangebroken, zei hij tegen zijn vriendin: "Als je een hond zou tegenkomen, gooi dan deze zakdoek naar zijn muil. Op die manier zal het beest je geen kwaad doen." 

Omdat een weerwolf geen kruis kan oversteken, moet hij de draadjes van de zakdoek één voor één uitrafelen vooraleer hij verder kan. 

Het meisje antwoordde: "Neen, blijf maar bij mij!", waarop haar vriend: "Neen, ik moet dringend even een boodschap doen." 

Toen X weg was, kwam er een lelijke zwarte hond naar het meisje toe. Ze deed onmiddellijk wat haar vriend had gezegd, waarop de hond de zakdoek in stukken scheurde. Een kwartier later kwam X terug. Zijn vriendin vertelde hem dat ze doodsangsten had uitgestaan terwijl hij weg was. Wat verderop ging het tweetal iets drinken in een café. Het meisje bekeek haar vriend eens goed, en riep geschokt: "Jij smeerlap, je bent het zelf geweest, want de vezels van de zakdoek hangen nog tussen je tanden!" 

X zei dat ze het zich maar inbeeldde, maar het meisje wilde hem toch nooit meer zien.


Opgetekend door F. Beckers in 1947.
Bron: volksverhalenbank.be