Historische stadskern van Sint-Truiden

Algemene Beschrijving

Sint-Truiden is gelegen in het zuidwesten van de provincie Limburg, in de Haspengouwse leemstreek. Het glooiende reliëf wordt er doorsneden door talrijke zijtakken van de Gete. De stad ligt in en langs de vallei van de Cicindriabeek. Deze beek ontspringt ten zuiden van de stad, loopt via de Beekstraat de stad in en verlaat de stad in het noordoosten. De abdijgebouwen werden op de zuidoostelijke helling van deze beek ingeplant (De Winter 2010, 2-3).

De gronden rond de stad worden gekenmerkt door droge en natte leembodems. Op het gewestplan staat de historische stadskern van Sint-Truiden hoofdzakelijk ingekleurd als woongebied met cultureel-historische en/of esthetische waarde. Ook parkgebied en woongebied komen aan de rand van de stadskern voor.


Onderschrift bij deze foto

Archeologische nota

Hoewel Sint-Truiden mogelijk een Romeinse kern heeft (De Winter 2010, 41), gaat het ontstaan van het huidige stadje terug tot de vroege middeleeuwen, met name tot de stichting van de Sint-Trudoabdij in 664. Het huidige Sint-Truiden is als nederzetting rond de abdij uitgebouwd. De vestiging van het klooster situeert zich in een hele reeks stichtingen in de 7de-8ste eeuw in onze regio (Charles 1965, 76). De Sint-Trudo abdij is gebouwd op een bestaand domein Sarchinium. Dit domein was omgeven door dicht woud aan drie zijden, aan de westelijke zijde werd het begrensd door de moerassige beemden van de Cicindriabeek. Trudo, een edelman van Frankische afkomst, liet een kerk en klooster bouwen op een kleine verhevenheid op de rechteroever van deze beek. De stichting is een van de oudste kloosterstichtingen van Vlaanderen en dateert uit het midden van de 7de eeuw. Na de dood van Trudo groeide er al gauw een kleine nederzetting rond de abdij. Bedevaarders kwamen er het graf van Trudo bezoeken (De Winter 2010, 1-2).

In 740 wordt het klooster van Sint-Trudo omgevormd tot benedictijnenabdij. Deze wordt in 883 samen met de nederzetting verwoest door de Noormannen. Onder impuls van keizer Otto I, wordt de abdij samen met de nederzetting heropgebouwd, onder het patronaat van het bisdom Metz. Deze nederzetting groeide rondom het marktplein met invalswegen die aan het marktplein vertrekken (dibe/geheel/20972).

In de 11de eeuw was Sint-Truiden al uitgegroeid tot een versterkte stad, met een aarden wal en gracht met toegangspoorten (www.eyes-e-tools.com). De stad werd toen Oppidum Sancti Trudonis genoemd. Intussen was ook de abdij die in deze periode gebouwd werd en een ongeziene bloei kende, een erg indrukwekkend gebouw geworden (De Winter 2010, 1-2).

Op de abdijsite werden in het verleden al meermaals opgravingen uitgevoerd, waarbij de focus meestal lag op het vrijleggen van restanten van de abdijkerk.

Zo werd in 1939 een opgraving uitgevoerd door van Hoeymissen en Boes die grote delen van de abdijkerk blootlegde, voor zover deze zich niet onder de seminariekerk bevonden. Tijdens de oorlog werd het onderzoek enkele keren hervat, en wordt er o.a. gegraven voor de abdijtoren (De Winter 2010, 21-34).

Enkele jaren later, in 1949, gingen Breuer en Lemaire op zoek naar de kapel voor Sint-Trudo uit de 12de eeuw. Over deze opgraving is weinig geweten (De Winter 2010, 25-27).

In recentere tijden, wordt na de brand van 1975 ervoor geijverd om archeologisch onderzoek te laten uitvoeren op de nog niet eerder vrijgelegde delen van de abdijkerk. In 1982 werd de opgraving uitgevoerd. Intussen was het internaat al weer opgebouwd en zijn delen van de abdijkerk onherroepelijk verloren gegaan door de nieuwbouw. Toch worden nog verschillende opeenvolgende kerkgebouwen blootgelegd, waaronder ook muren van de allereerste kerk uit de 7de eeuw. Ook een groot aantal graven werd aangesneden (De Winter 2010, 28-30).

In 1992 werd de crypte nogmaals onderzocht naar aanleiding van het publiek toegankelijk maken ervan. In 1996 kwamen een aantal begravingen aan het licht tijdens de aanleg van nutsvoorzieningen ten zuidwesten van de crypte. De laatste opgravingen aan de abdij werden uitgevoerd in 2005 waarbij muren en funderingen uit verschillende bouwfasen werden blootgelegd (De Winter 2010, 31-32).

In 1086 (of 1087) werd de stad ingelijfd bij het prinsbisdom Luik, maar behield de abdij zijn jurisdictie over een deel van het grondgebied. Het voogdijschap over de stad was reeds lange tijd een twistpunt tussen verschillende heren, voornamelijk de hertogen van Leuven en de graven van Duras, een klein graafschap in het zuidwesten van Limburg. Dit gaf aanleiding tot verschillende belegeringen en plunderingen (dibe/geheel/20972).

Intussen werd in de 1129 de eerst omwalling vervangen door een stenen vestingsmuur die werd uitgebouwd tot een indrukwekkende gordel van poorten en torens. Na de ontmanteling in 1675 en de afbraak van de overblijvende muren bleef het tracé nog bewaard in het stadspark en de vesten (www.eyes-e-tools.com). Archeologisch noodonderzoek aan de Sluisberg (Clockempoort) bracht, naast middeleeuwse en postmiddeleeuwse bewoningssporen, mogelijk sporen van de omwalling aan het licht. Enkele opmerkelijke bevindingen van dit onderzoek zijn een kuil uit de late bronstijd - vroege ijzertijd en een bunker uit de Tweede Wereldoorlog (Pauwels 2006, 308-314).

In de late middeleeuwen waren vooral de lakennijverheid en de handel over lange afstand belangrijk voor Sint-Truiden; de abdij speelde een belangrijke rol in deze handelsactiviteiten (De Winter 2010, 1-2). De wisselwerking tussen de stad en abdij komt verder o.a. tot uiting in de stichting van heel wat andere religieuze instellingen waar de abdij aandeel in had. De Sint-Gangulfuskerk, de oudste kerk van de stad, werd opgericht op bevel van de abt. Ook de parochiekerk (Onze-Lieve-Vrouw) werd in de 12de eeuw zo opgericht. Het Sint-Agnesbegijnhof (13de eeuw) en het minderbroederklooster (13de eeuw) werden beide opgericht op gronden die door de abdij werden geschonken. De scheiding tussen het geestelijke en het wereldlijke domein werd gevormd door de markt. Op deze scheiding werden de hallen (14de eeuw) en later het stadhuis (18de eeuw) opgericht (De Winter 2010, 41).

Bij archeologisch onderzoek in de kelders van het stadhuis werden sporen aangetroffen die dateren van vóór de bouw van het stadhuis. Mogelijk werd de gracht die de scheiding vormde tussen abtelijk en prins-bisschoppelijk domein aangesneden. Ook andere sporen dateren uit de vroege en volle middeleeuwen. Drie ovens dateren ten vroegste uit de 13de–14de eeuw. De functie van de ovens is onduidelijk, maar mogelijk dienden er 2 als bakoven. De functie van de derde oven is onduidelijk (Driesen 2009, 16).

De 15de eeuw is een vrij woelige periode: in 1405 was er de belegering en inname van de stad door Hendrik de Horne van Luik; in 1467 vond de Slag van Brustem plaats. Karel de Stoute nam het op tegen het Luikse leger, met beleg en inname van de stad, en verwoesting der versterkingen tot gevolg (10 jaar later startte men met de bouw van nieuwe versterkingen); in 1489 belegerde Robert van der Marck Sint-Truiden (Venken 1993, 196).

In 1568 werd de stad ingenomen door Willem de Zwijger; door haar afhankelijkheid van het prinsbisdom had de stad echter weinig te lijden van de Spaanse troepen. In 1675 werd de vesting door Lodewijk XIV ontmanteld: de poorten werden opgeblazen, en de ommuring verdween geleidelijk; de enige restanten zijn de onderbouw van de Brustempoort, en een gedeelte van de stadswal in de kloostertuin der minderbroeders; het tracé bleef echter behouden, op de meeste plaatsen in de vorm van beboomde dreven (cf. Tiensevest, Tichelrijlaan, Kazernevest) die, samen met de torens van het stadhuis, van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en van de abdijkerk, mee het stadssilhouet bepalen (www.eyes-e-tools.com).

Na de middeleeuwen verloor de stad aan belang, een stilstand die duurde tot in de 19de eeuw. Na de Franse Revolutie werd de abdij verkocht en de gebouwen geplunderd en grotendeels afgebroken (De Winter 2010, 1-2).

Evaluatie van de bewaringstoestand en motivatie voor de afbakening

De stedelijke ruimte bewaart sporen van samenlevingen die daar achtereenvolgens aanwezig waren en deze ruimte aan hun noden hebben aangepast. Ze is met andere woorden het resultaat van een complex levenstraject waarbij de invulling veranderlijk was naar gelang de sociaal-economische, maatschappelijke en institutionele context. Meer nog dan bij dorpen hebben stadsplattegronden een cumulatief karakter en verschillende fasen. De meeste steden zijn niet als geheel gepland, maar hebben vaak een oude nederzettingskern die teruggaat op een oude burcht of abdij, een economische infrastructuur of andere. Soms kunnen deze zelfs refereren naar een oudere, vroeg- of pre-middeleeuwse aanwezigheid.

Het gebruik van de 19de-eeuwse kadasterkaart (gereduceerd kadaster) als bron voor het onderzoek naar de historische gelaagdheid van een stad wordt gesuggereerd omdat deze een tijdsbeeld geeft van net voor de industrialisering en omdat dit de eerste nauwkeurige versie van het kadaster is met perceelsaanduiding. De oorspronkelijke perceelsindeling van een stad is een relatief stabiel element in de plattegrond, die vaak een pre-stedelijke oorsprong kent. Ondanks de processen van herverdeling blijven oude bezitsgrenzen en straatpatronen toch lang zichtbaar in het stedelijke landschap. De historische stedelijke kernen zijn immense archeologische sites en behoren tot de meest uitgebreide en complexe sites ter wereld, zowel in extensie als in stratigrafie. Tegelijkertijd zijn deze sites door permanente verstedelijking en stedelijke ontwikkeling ter plaatse zwaar bedreigd.

Wat betreft de afbakening wordt er traditioneel van uitgegaan dat de aanwezige versterkingen in de eerste plaats louter defensieve structuren waren en als dusdanig infrastructuur met een zware belemmerende invloed op de stadsontwikkeling. Hieruit volgt de constructie om de stadswallen te beschouwen als grenzen aan de stadsgroei en dus als bepaling van stadsfasen. De stadswallen vormen een belangrijk onderdeel van de stedelijke identiteit en zijn als zodanig actieve componenten en bepalend voor de conceptuele stedelijke ruimte vóór de industriële periode en dus ook betekenisvol als afbakening van de complexe archeologische sites die steden zijn.

Omwille van al deze redenen wordt de grens van de archeologisch complexe en waardevolle ruimte vastgelegd op de buitenste afbakening van de stadsgracht rond de wallen en muren. De grachten bieden bovendien goede bewaringscondities voor organisch stedelijk afval. In een aantal gevallen werden de laatmiddeleeuwse muren tussen de 16de en de 18de eeuw vervangen door bastions en Vaubanversterkingen. De vergelijking met oudere stadsplannen laat echter steeds zien dat deze latere omwallingen ook de volledige laatmiddeleeuwse ruimte omvatten.

Het intekenen van de kernen gebeurde vanuit de ruimste perceelsafbakening en rekening houdende met belangrijke fysieke grenzen. Deze afbakening concentreert zich in de eerste plaats op de begrenzingen die zichtbaar zijn op de kaart, zoals stadsmuren, omwalling, stadsgrachten. Ook de open ruimtes tussen de bebouwde kern en strategische elementen zoals de rivieroever worden mee opgenomen. Op deze manier zijn we honderd procent zeker dat de afbakening van de historische stedelijke kernen in Vlaanderen dekkend is voor de volledige zone met complex stadsarcheologisch erfgoed (Tys e.a. 2010).

Bibliografie

Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden voor Zijn Koninklijke Hoogheid de Hertog Karel Alexander van Lotharingen, Jozef Jean François de Ferraris, Koninklijke Bibliotheek van België, uitgegeven in 1770-1778, schaal 1:11.520 herleid naar 1:25.000.

Gereduceerde Kadasterkaart van België, Dépôt de la Guerre, uitgegeven in 1845-1855, schaal 1:20.000.

CHARLES J.L. 1965: La ville de Saint-Trond au moyen-âge. Des origines à la fin du XIVe siècle, Bibliothèque de la Faculté de Philiosophie et Lettres de l’Université de Liège, 173, Parijs.

DE WINTER N. 2010: Archeologische evaluatie en waardering van de abdijsite van Sint-Truiden (provincie Limburg), Sint-Truiden.

DRIESEN P. e.a. 2009: Archeologische opgraving in de kelders onder de hal van het stadhuis van Sint-Truiden, Rapport 84, Sint-Truiden.

GERITS J. 1989: Historische steden in Limburg, Brussel.

PAUWELS D. & Van den Hove P. 2006: Sint-Truiden: van bronstijdkuil tot bunker, Limburg. Het Oude Land van Loon 85/2006.4, 308-314.

SMEETS M. 2013: De archeologische begeleiding in de OLV-kerk te Sint-Truiden, Archeo-rapport 155, Kessel-Lo.

TYS D., BUYLE E., VERDURMEN I. & CANTERS F. 2010: Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster', Skar-rapport 5, Brussel.

VENKEN J. 1993: Oud Sint-Truiden en omgeving, Gent.

VERHELSint-Truiden K. 1993: De domeingroep Halen. Een onderzoek naar de historisch-geografische, economische, politieke en religieuze structuren van de parochies Donk, Halen, Linkhout, Berbroek, Zelk, Schulen en Loksbergen tijdens de vroege en volle middeleeuwen, Het Oude Land van Loon 48, 3-187.

SCHLUSMANS F. 1981: Sint-Truiden [online], 140054 (geraadpleegd op 03 juni 2014).

140054 (geraadpleegd op 03 juni 2014).


Bron     : AZ-dossier
Auteurs :  Cousserier, Katrien
Datum  : 2014

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Historische stadskern van Sint-Truiden [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/140054 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

Coenegrachts, Herman, aalmoezenier

Millen 28.10.1823  - Morelia (Mex.) 06.11.1865  

Molenaarszoon Wintershoven. Priester 1851, jongere broer van pastoor Hendrik Coenegrachts van Wilderen-Duras. Kapelaan hoofdkerk en eerste rector van Sint-Marten 1855, woonde op het huidige Sint-Maartenplein  tegen het vroegere kerkhof. Leraar middelbare school. Geesteszorg voor soldaten van nabijgelegen kazerne. 

Werd na tussenkomst van Mgr. De Ram, rector Leuven, aalmoezenier van Belgisch expeditiekorps als steun voor Maximiliaan, keizer van Mexico en schoonzoon van Leopold I in 1864. Scheepsreis met ‘Tampico’ van Saint-Nazaire naar Vera Cruz jaarwisseling 1864-1865 met het derde detachement. Nederlaag in Tacambaro 1865. 

Richtte met enkele geneesheren militair hospitaal op in Morelia. Bij tyfusepidemie zelf bezweken in huis van notabele. Wegens verdiensten uitzonderlijk begraven in koor van Sint-Antoniuskapel nabij OLV-kerk van Morelia. Kelk geschonken door parochianen van Sint-Marten in 1864 werd in 1866 terugbezorgd aan de Sint-Maartenkerk  ST


Morelia (Mex.), kathedraal


Info: Danny Gennez, Jan Vanaudenaerde, Albert Daerden en Ludo Melard.
Lit.: G.A. ADRIAENS, Biographie de M. Herman Coenegrachts, aumônier des Belges au Mexique, Brussel: de Cock, 1870, uit: LOISEAU; J. MUYLDERMANS, Een Limburgsch legeraalmoezenier, Herman Coenegrachts, in Limburg, 9, 1927-1928, p. 27-31; Albert DUCHESNE, L’expédition des volontaires belges au Mexique 1864-1867, (Bijdragen Centrum voor Militaire Geschiedenis, 3), Brussel, 1967-1968, p. 53, 209, 220, 225 en 434; Achille THIJS, Historie rond een oude kelk uit de St.-Maartenkerk te St.-Truiden, in HBVL, 19/20.08.1972; Monique LEFEBVRE, Het Belgische Vrijwilligerskorps in Mexico 1864-1867, in Tijdschrift van het Museum van het kamp van Beverlo, 31, april-mei-juni 2003, p. 12-16; BEKTRUI, 1, 2004, p. 1; Jos VERHEYDEN, Aalmoezenier Herman Coenegrachts. Een bekende Truienaar, in BINK, 8, 3de kwartaal 2005, p. 14-16; Laurent COENEGRACHTS en Ludo MELARD, E.H. Coenegrachts, priester van het bisdom Luik, legeraamoezenier (1823-1865), in GOGRI-tijdschrift, jg. 9, extra nr., november 2012, p. 17-20.