Kasteel van Nieuwenhoven en kasteelhoeve

Zogenaamd "Kasteel van Nieuwenhoven", kasteel met hoevegebouwen. Sinds het vierde kwart van de 13de eeuw speelhof en zomerverblijf van de abten van Sint-Truiden; in 1329 versterkt door abt Adam van Ardingen; in 1340 volledig verbouwd door abt Amelius van Schoonvorst; van 1521 tot 1525 vergroting en verbouwing door abt Willem van Brussel; de huidige hoeve werd gebouwd door abt Hubert Germeys (1612-1638), het kasteel door abt Jozef van Herck (1751-1780); voornamelijk tijdens de 18de eeuw werd Nieuwenhoven de vaste verblijfplaats der abten; na de Franse inval werd het goed verkocht; tijdens de tweede helft van de 19de eeuw, verbouwingswerken in Engelse neogotische stijl: wagenhuis met stalling tussen kasteel en hoeve, en kasteelvleugel, afgebrand in 1932.

Het complex ligt in een nog gaaf landschap, waarin het een belangrijk element vormt; vijver ten zuiden.

Bakstenen gebouwen, gegroepeerd rondom een binnenplaats, die door een vrijstaande vleugel in het midden in twee wordt verdeeld: ten westen, het gekasseide erf der hoeve, ten oosten, de binnenplaats van het woongedeelte.

Poortgebouw in de noordvleugel, twee traveeën en twee bouwlagen onder steil zadeldak (mechanische pannen), uit de 16de eeuw (?) met aanpassingen uit de 18de eeuw. Gesmeed ijzeren muurankers. De noordgevel is afgewerkt met mergelstenen banden en een geprofileerde mergelstenen kroonlijst; twee rechthoekige, kalkstenen venstertjes met negblokken; tudorboogvormige inrijpoort met afgeschuinde neg, in een ingediept, rechthoekig gevelvlak met omlijsting van mergel- en Gobertangesteen, afgewerkt met negblokken; gotische nis boven de poort. De zuidgevel is aangepast in de tweede helft van de 18de eeuw; korfboogpoort met (oorspronkelijke?) posten met negblokken, en een kalkstenen boog met op regelmatige afstand geplaatste negblokken; rechthoekige kalkstenen venstertjes; verankerd kalkstenen rondboogdeurtje met negblokken. Getrapte zijgevels.

De inrijpoort geeft toegang tot het westelijk gedeelte der binnenplaats, in dit geval het erf der hoeve. De binnenplaats waaromheen de eigenlijke kasteelgebouwen gegroepeerd zijn, is bereikbaar via een neogotische poortconstructie, afgesloten door middel van een gesmeed ijzeren hek, en opgetrokken tussen de noordvleugel en het centrale gebouw, dat de binnenplaats verdeelt.

Het kasteel is een L-vormig complex, waarvan de noordvleugel aansluit bij het poortgebouw; de oostvleugel wordt geflankeerd door twee torens. In kern klimt dit gedeelte mogelijk op tot dezelfde periode waaruit het poortgebouw dateert, doch de huidige gevelordonnantie der oostvleugel is classicistisch (tweede helft 18de eeuw), terwijl de noordvleugel in de tweede helft van de 19de eeuw grondig werd aangepast.

De oostvleugel met de twee torens is opgevat als een architectonisch zelfstandig geheel; rechthoekig gebouw van tien traveeën en twee (zuidelijk gedeelte) tot twee en een halve bouwlaag (noordelijk gedeelte) onder schilddak (leien); duidelijke bouwnaad in de westgevel, tussen de zesde en zevende travee; gesmeed ijzeren muurankers; omlopende kalkstenen kroonlijst; kalkstenen hoekbanden aan de zuidelijke hoeken. De zes noordelijke traveeën zijn voorzien van rechthoekige muuropeningen in een vlakke kalkstenen omlijsting met sluitsteen; in het zuidelijk gedeelte grote, getoogde, kalkstenen vensters met sluitsteen. In de oostgevel heeft men gepoogd de eenheid van het gebouw te verhogen door het aanbrengen van risaliet met driehoekig fronton in de vijfde travee; dit risaliet is afgewerkt met hoekbanden, en voorzien van een hardstenen rondboogvenster en een thans tot venster omgevormde rondboogpoort in een geprofileerde, hardstenen omlijsting met neuten, imposten en sluitsteen. Rechthoekige toren onder ingesnoerde naaldspits (leien) met gesmeed ijzeren bekroning, tegen de noordelijke zijgevel; mergelstenen hoekbanden, banden en steigergaten; de oostgevel is voorzien van rechthoekige, kalkstenen vensters met sluitsteen. De toren tegen de zuidelijke zijgevel is octogonaal, met ingenoerde spits (leien); gesmeed ijzeren muurankers; getoogde, hardstenen vensters voorzien van een sluitsteen met korte druiplijst; rechthoekige, hardstenen venstertjes op de bovenverdieping.

De noordvleugel bestaat uit twee onderscheiden delen: de eerste vier traveeën, aanleunend tegen het poortgebouw, zijn door een getrapte zijgevel van de elf oostelijke traveeën gescheiden; twee bouwlagen; licht verschil in nok- en daklijsthoogte der beide zadeldaken (leien). De zuidgevel werd grondig aangepast (mogelijk omvorming van stal tot woongedeelte) in de tweede helft van de 19de eeuw; rechthoekige muuropeningen; in de elfde en twaalfde travee, neogotische poort (tudorboogvormig) in een rechthoekige, geprofileerde omlijsting van natuursteen; verschillende sporen van vroegere muuropeningen (ontlastingsbogen, bouwnaden). De noordgevel is vrijwel blind, op enkele recente muuropeningen na; in de gevel bevindt zich een mergelstenen rondboognis geflankeerd door pilastertjes met neuten en imposten, en door middel van een chronogram gedateerd 1636: sanCta et pIa DeI genItrIX/ MarIa/ serVos tVos sVaViter serVa.

De hoevegebouwen zijn gegroepeerd rondom het westelijk gedeelte der binnenplaats. Woonhuis in de laatste zes traveeën der westvleugel; de overige tien traveeën worden door een stal ingenomen; de vleugel telt twee bouwlagen onder zadeldak (mechanische pannen en kunstleien), en is door middel van twee gevelstenen in de top der noordzijgevel gedateerd: ANNO/ 1617. De oostgevel van het woonhuis is witgekalkt, met een gepikte plint. Gesmeed ijzeren muurankers; dakrand op uitgesneden houten modillons; houten laadvenster boven het woonhuis; het woonhuis is voorzien van een gevelsteen met wapenschild en initialen H G, onder een accoladeboogvormig ontlastingsboogje van een rollaag en een platte laag. Rechthoekige, aangepaste vensters; op de benedenverdieping, voormalige kruiskozijnen: gedeeltelijk behouden, natuurstenen posten - thans overkalkt - met negblokken en sponning, en dubbele ontlastingsboogjes van een rollaag en een platte laag; de vensters der stal zijn rechthoekig, houten kozijnen van verschillende afmetingen; aangepaste benedenvensters. Vier rondboogdeuren in een kalkstenen omlijsting met negblokken. De westgevel is in de tweede helft van de 19de eeuw voorzien van een boogfries onder de daklijst; gesmeed ijzeren muurankers en recente, rechthoekige vensters. Zijgevels met aandak, vlechtingen, top- en schouderstukken; de noordelijke zijgevel heeft mergelstenen banden, een oculus, een rechthoekig venster en de twee hoger vermelde gevelstenen in de top; de zuidelijke zijgevel werd in de tweede helft van de 19de eeuw aangepast.

De noordvleugel, aansluitend bij het poortgebouw, omvat de langsschuur en stallingen. De overgang tussen dit gebouw en het poortgebouw wordt gevormd door een lage stal van drie traveeën en twee bouwlagen onder zadeldak (leien, mechanische pannen); gesmeed ijzeren muurankers; kalk- en mergelstenen hoekband op de zuidoosthoek. De zuidgevel is sterk aangepast, en in de tweede helft van de 19de eeuw voorzien van getoogde muuropeningen; behouden mergelstenen band en kalkstenen deurposten met profilering; rechthoekig mergelstenen venstertje met negblokken in de oostelijke zijgevel. Blinde noordgevel met mergelstenen steigergaten. Langsschuur en stal van vijf traveeën onder zadeldak (leien) door middel van twee gevelstenen op de westelijke zijgevel gedateerd: ANNO/ 1623. Gesmeed ijzeren muurankers en mergelstenen steigergaten. Het linker gedeelte der zuidelijke zijgevel is witgekalkt, met een gepikte plint; gevelsteen met wapenschild van abt Hubertus Germeys, jaartal 1623, initialen H G en devies DNS (?) ADIUTOR FORTIS; twee recentere vensters en een rondboogdeur in een kalkstenen omlijsting met negblokken; het overige gedeelte der gevel wordt ingenomen door aangebouwde varkensstallen onder lessenaarsdak, uit de tweede helft van de 19de eeuw, voorzien van rechthoekige deurtjes onder houten latei; vooruitspringend middengedeelte met rechthoekige houten poort. De blinde noordgevel is voorzien van een mergelstenen band, en zeven steunberen. Zijgevels met aandaken, vlechtingen, top- en schouderstukken; mergelstenen banden. De oostelijke zijgevel is voorzien van een verankerde rondboogpoort in een kalkstenen omlijsting met negblokken, en een ontlastingsboog met een platte laag gesinterde baksteen; twee rechthoekige mergelstenen venstertjes met geprofileerde neg, negblokken en een ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag; spitsboognis in een mergelstenen omlijsting in de geveltop. De westelijke zijgevel heeft een spleetvormig mergelstenen venstertje met negblokken en de twee hoger vermelde gevelstenen in de top.

Bakhuis onder schilddak (kunstleien) tegen de westelijke zijgevel. Ten zuiden, laag stalgedeelte van vijf(?) traveeën onder mank zadeldak (mechanische pannen en kunstleien), daterend uit de eerste helft van de 17de eeuw. Recente vensters in de noordgevel; een verankerde rondboogdeur in een kalkstenen omlijsting met negblokken, en een rechthoekige poort onder houten latei, met van negblokkenvoorziene kalkstenen posten. Zuidgevel, aangepast in de tweede helft van de 19de eeuw: boogfries en getoogde vensters. Aansluitend bij de oostgevel, stallingengedeelte van negen traveeën en twee bouwlagen onder gebogen wolvedak (kunstleien) met gesmeed ijzeren windvanen; in kern opklimmend tot de eerste helft van de 17de eeuw, doch sterk aangepast. Gesmeed ijzeren muurankers, en kalkstenen hoekbanden. De noordgevel wordt in twee verdeeld door een neogotische poortconstructie, opgetrokken tussen het centrale gebouw en de noordgevel van het stalgedeelte, die de twee binnenplaatsen van elkaar scheidt; de oostelijke traveeën van het stalgedeelte maken dus deel uit van de oostelijke binnenplaats. De westelijke traveeën behielden hun oorspronkelijk uitzicht: mergelstenen band, drie kalkstenen vensters met negblokken en een ontlastingsboog van een rollaag en een platte laag, een gedicht kalkstenen venster, en twee kalkstenen rondboogdeuren met negblokken en een ontlastingsboog van een platte laag. Het oostelijk gedeelte vertoont sporen van verschillende aanpassingen; de muuropeningen der benedenverdieping dateren uit de tweede helft van de 18de eeuw (?): drie rechthoekige deuren en een getoogde poort in een vlakke, kalkstenen omlijsting met op regelmatige afstanden geplaatste negblokken; rechthoekige, hardstenen bovenvensters uit de tweede helft van de 19de eeuw. Zuidgevel zoals die der hoger beschreven zuidelijke stalvleugel. Gewijzigde oostelijke zijgevel.

Het centrale gebouw is vrij complex van vorm; de oostzijde omvat een rechthoekige vleugel van tien (?) traveeën en twee bouwlagen onder wolvedak (kunstleien en mechanische pannen), waarvan de oostgevel in de tweede helft van de 19de eeuw werd aangepast in neogotische stijl. Het westelijk gedeelte omvat verschillende bouwsels, aanleunend tegen de westgevel van het hoger beschreven gedeelte; hier bleef de oude kern duidelijk bewaard: rechthoekige, houten kozijnen van verschillende afmeting, een uit de eerste helft van de 17de eeuw kalkstenen rondboogdeur van het hoger beschreven type, en twee rechthoekige, arduinen muuropeningen uit de tweede helft van de 19de eeuw.

Kapel. Aan de overzijde van de straat, behorende bij het kasteel, rechthoekige, neogotische kapel, thans sterk vervallen; drie traveeën onder zadeldak (leien), uit de tweede helft van de 19de eeuw. Bakstenen gebouw met natuurstenen portaal en voorgevel; spitsboogvormige muuropeningen.


Bron     : Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda
Datum  : 1981

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Kasteel van Nieuwenhoven en kasteelhoeve [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/23016 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

De legende van de "Kommeduur"

De Franse bezetter had vanaf 1795 alle kerkelijke bezittingen vogelvrij verklaard. De openbare verkoop ervan lokte ondernemers aan. Zo werd de commanderij Bernissem van de Duitse ridderorde opgekocht door de Sely-Longchamp en schoonzoon Hyacinthe de Chestret startte er in 1839 een bietsuikerfabriek. In 1880 was er een zware brand en agronoom Jules Cartuyvels herbouwde de fabriek, die tot in 1913 bleef werken. 

In de volksmond bleef de herinnering aan de brand bewaard, geromantiseerd voor het stedelijk infoblad 'Hier en Nu' in de jaren 1965-1976 door landbouwleraar en stadssecretaris Georges Vandenborne, die afkomstig was van Bernissem. De 'Commeduur' zou later door hem nog opgevist worden in de carnavalsorde 'van de Commeduur' en in de 'Commanderie' van de fruitteeltlobby. Roger Collart bundelde diverse verhalen van Vandenborne in zijn cursus volksverhalen en legendes. 


“Uchtern” zuchtte de totaal versleten vrouw gelaten, “dat wordt niet meer gedaan. De mensen hebben geen tijd meer om avond aan avond gedurende de lange wintermaanden dicht bijeen rond het haardvuur te kruipen. De televisie heeft de legendes verjaagd. Vroeger, toen ik jong was, vertelde mijn grootmoeder nog al die oude verhalen. Eerst verplichtte ze iedereen geduldig in de vlammen te staren, wel een uur lang. Er werd weinig gesproken. De mannen gaven de brandewijn door. De vrouwen naaiden tevreden omdat het klein grut weer voor een paar uren verzadigd was aan aardappelen met melksaus. Vroeger…” Haar blik richtte zich weer op de vlammen, als zocht ze daarin het antwoord op die onbegrijpelijke beschaafde, kille 20ste eeuwse wereld, en dat antwoord kwam… We tuurden nu allemaal in de vlammen, we wilden zien wat de oude vrouw zag…

“Kent ge de hoeve van Bernissem”? Ze zweeg even maar niemand onderbrak haar. We zochten het antwoord van die kronkelende slangen. “Jaren geleden kon je de hoeve al van ver zien liggen als je in de richting van Terbiest wandelde. De hoge bomen piekten als een beschermende haag rond de hoeve, maar dat belette niet dat hier en daar vlekjes verweerd baksteen tussen de takken glinsterden. Ze had er altijd al gestaan zolang als ik leefde, zo langs als mijn grootmoeder leefde. We wisten wel dat de Tempeliers er eeuwen en eeuwen geleden hun “kommeduur” strenge gehoorzaamheid verschuldigd waren. Bernissem was een kommanderij van de Teutoonse ridderorde, een van de vele. En de kommeduur, de “comthur” noemden de ridders hem, was geliefd bij zijn mensen en bij de bevolking. De jaren regen zich aaneen tot een snoer van rustige eeuwen en toen gebeurde het…” Eén vlam spetterde plots hoog op, het hout knetterde en wierp gensters de kamer in. Gefascineerd bleven we de vlammen fixeren.

“De Fransen kwamen”. Even keek de oude vrouw op. “Er zijn er velen geweest, maar toen mijn grootmoeder nog een jonge stevige vrouw was (ze moet toen vijftien of zestien jaar geweest zijn) waren de Fransen in het land. Napoleon wierp heel Europa aan zijn voeten. Het ene decreet na het andere ontnam onze mensen hun vrijheden. Ook de Truiense ridderorde werd ontbonden. Bernissem werd een suikerfabriek. De boeren uit de omgeving meden haar zoveel mogelijk want Bernissem stierf voor hun ogen”.

De oude vrouw leek voor onze ogen in elkaar te schrompelen. “De fabriekslui zorgden niet voor het landgoed. Bernissem werd niet met liefde behandeld. Voor hen was de hoeve slechts een opeenhoping van bakstenen en pannen, toevallig bruikbaar als fabriek. Zo een houding vroeg om ongelukken. Toen mijn grootmoeder zowat twintig jaar was, sloeg de brandklok op zekere nacht alarm. In hun lange onderbroeken holden de mannen naar de plaats van het onheil: van ver zag je het vuur al boven de bomen uitslaan. Bernissem werd door de vlammen verwoest. Ook de vrouwen renden naar de hoeve toe en de kinderen sukkelden er achter aan. Met emmers, kommen, ketels en pannen werd gezeuld om te redden wat er te redden viel. Te laat echter… het ogenblik kwam dat de toegeschotenen het moesten opgeven, machteloos stonden ze daar toe te kijken hoe de eeuwenoude hoeve onder hun ogen tot puin verviel, tot plotseling… een bloedrood waas zich verspreidde op de plaats waar voorheen de kapel stond. Er ging een rilling door het publiek maar toch bleven ze aan de grond genageld staan. Voor hun ogen ontplooide het bloedrode waas zich tot een prachtig misgewaad en boven het misgewaad verschenen heel vaag het hoofd en de gelaatstrekken van de laatste kommeduur. Toen zagen ze ook zijn handen, twee lijkwitte handen in een zegenend gebaar boven een kelk gestrekt. De kommeduur las de mis ! De kommeduur nam wraak!

De baldadigheid van Napoleon was eindelijk gewroken! Vol eerbied volgden de omstaanders de plechtigheid. Toen het vuur in de ruïne uitdoofde, verlieten ze in alle stilte de plaats van het onheil. De kommeduur kon voor eeuwig rusten…”



Lees: Roger COLLART, Volksverhalen en legenden, cursus toeristische gids, Sint-Truiden: stadsbestuur, 1992; Veerle JACOBS, Bietsuiker. Het 19de-eeuwse Haspengoud, in Sint-Truiden ingekaderd 1830-1914. Tentoonstellingen Sint-Trudofeesten 1998, Sint-Truiden: Sint-Truiden 1300 vzw., 1993, p. 160-167, met catalogusnotities door Willem DRIESEN, p. 167-174.