Parochiekerk Sint-Maarten

Neoromaanse kruisbasiliek, aanleunend bij de vroeg-renaissancetoren, gelegen tussen het Sint-Maartenplein ten zuiden, de Breendonkstraat ten noorden en de Tiensestraat ten westen.

De eerste kerk, de Heilig-Grafkerk, dateert waarschijnlijk van circa 1083 en was afhankelijk van de Onze-Lieve-Vrouwekerk; voor het eerst vermeld in 1215. In 1221 wordt ze samen met het gehele stadskwartier door brand verwoest. In dezelfde eeuw heropgebouwd met toevoeging van een kerkhof; deze nieuwe kerk had geen toren; de toren werd pas circa 1550 gebouwd. In 1706 vervalt de oorspronkelijke naam en wordt de kerk Sint-Maartenkerk genoemd. In 1895, bouw van de huidige kerk naar ontwerp van architect E. Serrure, en herstelling van de toren.

De plattegrond beschrijft een vierkante westtoren, een driebeukig schip van vijf traveeën met een transept van één travee, en een koor van één travee met halfronde absis en geflankeerd door sacristieën. Sober zandstenen gebouw onder zadeldak (leien), de zijbeuken onder lessenaarsdaken, voorzien van rondboogvensters en een rondboogportaal in noord- en zuidgevel. Dwerggalerij in de absis. De as van het schip staat schuin op die der toren.

Vierkante, mergelstenen toren van zeven registers op een kalkstenen sokkel met afzaat. De renaissance-invloed spreekt duidelijk uit de sterke horizontale gevelgeleding en een aantal ornamenten, hoewel de opvatting en verschillende elementen nog laatgotisch zijn (portaal, steunberen). Versneden hoeksteunberen versierd met casementen en uitlopend op semi-overhoekse pinakelschacht met van hogers en finaal voorziene fioelen. Portaal in de eerste en tweede geleding: verdiepte, gedrukte rondboogpoort in een spitsboogvormige omlijsting met profilering, afgezet met hogers. Aan weerszij een blind rondboogvenster met afzaat en geprofileerd beloop. In het derde register, twee blinde rondboogvensters, de posten opgevat als Toscaanse driekwartzuiltjes. Het vijfde register bestaat eigenlijk uit een fries van ingediepte, vierkante panelen, telkens afgezet met gelijkaardige zuiltjes. Het zesde register vertoont op elke zijde een vierkant casement tussen twee blinde oculi. Een geprofileerd rondboogvormig galmgat op elke zijde van het bovenste register; flankerende tweeledige colonnetten die een uitspringende booglijst dragen. Rondboogfries onder de kroonlijst. Drieledige, ingesnoerde naaldspits (leien).

Begane grond van de toren overkluisd met een stergewelf met geprofileerde ribben en gewelfsleutels; een gotisch spitsboogportaal met sterk geprofileerde dagkanten en archivolten op hoog basement verleent doorgang naar het schip.

Sober, doch vrij donker interieur; rondboogarcaden op pijlers scheiden het schip van de zijbeuken; rondbogige bovenlichten. Vlakke, houten zoldering met 17de-eeuwse casementen, afkomstig uit de oude kerk, en beschilderd met wapenschilden van Sint-Truidense families. De kruising, eveneens van een vlakke zoldering voorzien, heeft hoge, rondboogvormige scheibogen aan de vier zijden.

Zijbeuken met hoger beschreven afdekking; hetzelfde geldt voor de transeptarmen en de rechte koortravee; halve koepel boven de absis.

Mobilair: Verrezen Christus, gepolychromeerd hout tweede kwart 15de eeuw); calvarie met Onze-Lieve-Vrouw en Johannes, gepolychromeerd hout (eerste helft 16de eeuw), gerestaureerd in 1888; Christusop-de-Koude-Steen, gepolychromeerd hout (eerste helft 16de eeuw); ruitersbeeld met Sint-Maarten, gepolychromeerd hout (eerste helft 16de eeuw); Sint-Maarten, gepolychromeerd hout (eerste helft 16de eeuw); Piëta, gepolychromeerd hout (eerste helft 16de eeuw); Sint-Rochus, gepolychromeerd hout (eerste helft 17de eeuw); Sint-Eucherius, gepolychromeerd hout (eerste helft 17de eeuw); Sint-Trudo, gepolychromeerd hout (tweede helft 17de eeuw); Sint-Maarten als bisschop, witgeschilderd hout (eerste helft 18de eeuw); Sint-Trudo, witgeschilderd hout (eerste helft 18de eeuw); Christus in het graf, gepolychromeerd hout (18de eeuw); Sedes Sapientiae, mogelijk een kopie naar een origineel uit de 13de eeuw. Twee neogotische biechtstoelen; classicistisch, arduinen wijwatervat (18de eeuw).


Bron     : Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
Auteurs :  Schlusmans, Frieda
Datum  : 1981

Bron: Bevat overheidsinformatie, verkregen onder de modellicentie voor gratis hergebruik Vlaanderen v1.0. URI:
Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Parochiekerk Sint-Maarten [online] https://inventaris.onroerenderfgoed.be/erfgoedobjecten/22956 Geraadpleegd op 12-11-2019

 

ONTDEKKING VAN DE DAG

Een korte geschiedenis van Sint-Truiden

Een korte geschiedenis van Sint-Truiden

Trudo

Er zijn weinig steden waarvan het ontstaan en de vroege ontwikkeling zo goed kan gevolgd worden als Sint-Truiden. De naam zelf verraadt de oorsprong. Sint-Truiden dat is Trudo , de Frankische edelman die rond 650 een kerk en klooster bouwde op een kleine verhevenheid naar het noorden toe, waar de Cicindria  aan de linkerzijde door een breed dal vloeide. De kleine gemeenschap werd een welvarende abdij die tot het einde van de achttiende eeuw wel en wee van de stad zou meemaken.

Rond de abdij is al snel een nederzetting gegroeid, maar een echte stroomversnelling kwam er in de elfde eeuw. De bedevaarten naar het graf van Sint-Trudo brachten niet alleen rijkdom voor de abdij maar ook welvaart voor de velen die buiten de landbouw werk zochten.

In die periode bouwde abt Adelardus  zijn grote abdijkerk. De toren en de overblijfselen van de crypte geven nog een beeld van de honderd meter lange kerk. De abdijgebouwen blijven getuigen van de kracht en de uitstraling van Trudo's stichting. Adelardus (ver)bouwde de Onze-Lieve-Vrouwekerk en bouwde ook de Sint-Gangulfuskerk . Onder dezelfde abt - de abt was medeheer naast de bisschop van Metz  - werd Sint-Truiden omgord met een aarden wal, een houten palissade en versterkte toegangspoorten. Terecht omschrijven officiële documenten uit die tijd Sint-Truiden als oppidum, versterkte stad. De nederzetting bij de abdij was een stad geworden.

Omwalling

In 1129 werd de eerste omwalling vervangen door een stenen vestingsmuur, die werd uitgebouwd tot een indrukwekkende gordel van poorten en torens. Na de ontmanteling in 1675 en de afbraak van de overblijvende muren bleef het tracé bewaard in het stadspark en de vesten. Van de Brustempoort bleef een nog omvangrijk ondergronds gedeelte bewaard.

De groei en bloei van de middeleeuwse stad werd sterk in de hand gewerkt door de lakennijverheid en de verre handel. Sint-Truidense handelaars trokken naar Engeland, naar de jaarmarkten van Champagne, naar talrijke steden in het Duitse rijk. De Grote Markt  blijft de belangrijkste getuige van de plaatselijke handel : vanuit het kerkplein van de abdij werd een steeds grotere ruimte voorbehouden voor de talrijke marktactiviteiten. Middenin, op de scheidingslijn van het district van de abt en dat van de prins-bisschop (sinds 1227 was dat de prins-bisschop van Luik), werd een hal gebouwd. Later, in de achttiende eeuw, werd over de hal en rond de hallentoren het stadhuis gebouwd. Met de abdijtoren en met de Onze-Lieve-Vrouwekerk  werd dat het uithangbord van de stad.

Dertien stielen

De economische en sociale activiteiten in de stad werden georganiseerd in dertien ambachten. Binnen het land van Luik bevochten zij mee de deelname van de steden in het staatsbestuur en in eigen stad verwierven ze de democratische controle over het stedelijk bestuur. Als symbool daarvan werd bij de hal een perron opgericht bekroond met een vergulde adelaar.

Na de vijftiende eeuw trad er een stilstand op die voortduurde tot in de 19de eeuw. Wel werd er vooral in de achttiende eeuw werk gemaakt van de verfraaiing van kloostergebouwen en burgerhuizen.

Fruitteelt

Na 1830 werden de leegstaande kloostergebouwen de nieuwe huisvesting van congregaties, die van Sint-Truiden een uitgesproken onderwijs- en verzorgingscentrum maakten. Blijvend was de marktfunctie in een uitermate vruchtbare landbouwstreek. De fruitteelt vanaf het einde van de negentiende eeuw zou daaraan heel eigen kenmerken geven.

Het is opvallend dat de eerste nieuwe straten en wijken er pas kwamen bij het begin van de 20ste eeuw. Maar vanaf dan veranderde er steeds meer en in steeds snellere mate. Zelfs de uit de middeleeuwen stammende gemeentegrenzen werden doorbroken. Daardoor kwamen gemeenten met een eigen eeuwenoude geschiedenis bij mekaar terecht. In Zepperen  ging de jonge Trudo zijn bisschop opzoeken. In Brustem  bouwden de graven van Loon  een burcht tegen Sint-Truiden. Duras  herinnert aan de plaatselijke graven die zich vaak mengden in de conflicten rond abdij en stad.

Een middeleeuwse stad en veertien historische gemeenten vormen nu een prachtige staalkaart van oude tradities én moderne activiteiten in het vruchtbare land van Haspengouw.

Bron: wikivoyage